SLAA

SLAA

Vlammen zijn donkere bloemen

Joost Oomen

Vlammen zijn donkere bloemen

Joost Oomen

Mijn hand was van zonnebloem, mijn gezicht was van zonnebloem, alles wat ik dacht was van zonnebloem. Ik liep vlak voor het einde van de dag met mijn ogen dicht terug naar de hut en ik voelde de koele bladeren en harige stelen van de zonnebloemen langs de achterkant van mijn handen glijden. Het licht uit de bloemen werd een rode gloed aan de binnenkant van mijn oogleden.

De ene helft van ons raapte ‘s ochtends oude, uitgebloeide zonnebloemen van de grond waarvan in de middag olie werd geperst, takken gesneden, pitten geroosterd of zonnebloemsoep gekookt. De andere helft imiteerde de hele dag de bewegingen van de zonnebloemen. Bij zonnebloemopkomst gingen ze op een plek in het veld staan, ver weg van of juist dicht bij de hut, en ze lieten hun hoofd meedraaien met de langzame bewegingen van de bloemkoppen. Bijna onmerkbaar bewogen ze met de bloemen mee van de ene horizon, via de lege lucht, naar de andere horizon, naar de grond. Er stonden vier zonnebloemen op een vierkante meter, vier miljoen op een vierkante kilometer en dat honderdduizenden kilometers de verte in.

Als het licht van de bloemen er niet was aten en sliepen we. Koppen zonnebloemsoep voor onze gekruiste benen op de grond en met zijn allen dicht bij elkaar rond de enige lamp. De lamp was niet van zonnebloem, maar van een soort hard glimmend materiaal, met een tankje onderin waar we zonnebloemolie in goten. Wanneer we gingen slapen, lieten we de lamp branden. Als we ‘s ochtends wakker werden en de zonnebloemen weer schenen, was het flakkerende licht in de lamp uit.

Op een ochtend werd ik wakker en het vlammetje in de lamp brandde nog. Er woei wind door het gat aan de voorkant van de hut. Om mij heen werden mensen wakker van het suizen van tocht tussen muren van zonnebloemstelen. Blaadjes en stuifmeel dwarrelden de hut binnen. De wind nam de dekens van onze gele bedden mee.

Buiten stond de ene bloem naar het westen gericht, de volgende scheen loodrecht omhoog. Naar het zuiden wezen bloemen, naar het oosten, zelfs naar het noorden waar ze nooit eerder naar wezen keken zonnebloemen. Het zwaargele licht dat normaal overdag rustig uit de bloemen stroomde, was nu helwit. Er waren bloemen die rondtolden op hun stelen. Er waren er die flitsten. We stonden half in het gat van de hut naar de velden te kijken, bedekten onze ogen wanneer het helwitte licht op ons gezicht scheen, maar we huilden niet en we renden niet naar de bloemen toe. Niemand kon een manier bedenken om in te grijpen.

Alle stelen knikten vlak onder de bloem en zwart wezen ze naar de grond. Het werd aardedonker om ons heen.

Soep die we toen nog kookten was smerig en wie het at werd ziek. De weinige pitten die we in voorraad hadden, probeerden we te rantsoeneren, maar omdat we geen leider hadden, vond iedereen het uiteindelijk oneerlijk hoe het ging.

Een man en een vrouw stonden in een hoek van de hut. De man hield de rechter pols van de vrouw klemvast terwijl hij met zijn andere hand haar middelvinger naar achteren trok. ‘Laat los!’ zei de man. Hij boog de middelvinger wat verder naar achteren. De vrouw jammerde van de pijn, ging bijna door haar knieën, probeerde de man in zijn schouder te bijten, maar opende haar vuist niet. ‘Laat los!’ zei de man nog een keer. Hij trok de middelvinger nog iets verder achterover en plotseling klonk er een droge tik door de hut. De vrouw haar net nog rode, huilende gezicht verbleekte en het leek alsof ze in een flits kotsmisselijk werd. Haar vuist opende zich en er vielen een paar pitten uit. Terwijl de vrouw met haar gewonde hand in haar andere hand jammerend neerhurkte, viel de man op handen en knieën voor haar om de pitten op te rapen en in zijn mond te stoppen.

We werden graatmager. Degenen die zo wit en dun werden dat ze eigenlijk doorzichtig waren, noemden we dood. De doden zelf waren het er ook mee eens dat we hen dood noemden. Wanneer de weinigen die nog liepen hen als sprokkelstelen tegen de zijkant van de hut legden, knikten ze ons welwillend toe. Toen ik zelf wit en doorzichtig en peilloos moe begon te worden, en door een jongen en een meisje naar de zijkant van de hut gedragen werd, vond ik het ook prima om dood te zijn. Magere, grijswitte mensen op een grote stapel tegen een zonnebloemstelen hut.

Ik was met mijn gezicht naar het zonnebloemveld op de dodenstapel gelegd. Soms flitsten er heel in de verte een paar zonnebloemen, maar ik wist niet zeker of dat echt gebeurde of dat ik het alleen maar zag omdat ik zo’n honger had. Ver in het donker zag ik een groepje bloemen oplichten die de lucht beschenen, flakkerden en weer uitdoofden.

Ik wist niet hoe laat het gebeurde. Ik wist niet of het op een dag was, of op een nacht. Driekwart van ons lag dood tegen de hut, het laatste kwart lag dood binnen op de vloer. Met holle ogen keek ik in het donker. Toen flitste er vlak bij onze stapel een honderdtal zonnebloemen wakker. Er stroomde helwit licht uit hun zonnebloemkappen. Het licht raakte mij vol in het gezicht. Het licht raakte ons allemaal in het gezicht. En van binnen voelden we een klein beetje zonnebloemsap in beweging komen. Het laatste restje. Ik stond op van de dodenstapel en strompelde naar de honderd helwit schijnende zonnebloemen.

Ik sloot mijn ogen, maar het witte licht scheen dwars door mijn oogleden heen. Mijn mond sperde ik open en ik pakte met beide handen de stengel van één van de schijnende bloemen vast. Ik legde mijn mond op de witte lamp. Ik beet. Ik beet en ik slikte. Met grote happen at ik de zwartgele bloem van de zonnebloem op. Nog nooit had ik een nog levende, lichtgevende bloem gegeten. Om mijn heen stonden de andere doden, graatmager en wit, in bloemen te bijten. Het breken van stelen, het ritselen van kapotgetrokken bladeren die in een mond worden gestopt, het gekraak van onze gebitten die in lichtgevende kussens van zaden zonken.

En terwijl we aten voelde ieder van ons zich in zijn of haar bloem gezogen worden. Met elke hap werd onze informatie afgetapt, herberekend en weer terug opgeladen. Waar wij tussen zonnebloemen met honderd mensen waren, ligt er nu in deze grote grijze computer maar één lichaam. Informatie van honderd zonnebloemeters samengebald in één persoon.

Op het moment dat ik dit verhaal vertel, zie ik de zon. Zien wij de zon. De zon zwelt op. De zon sterft. De computer om mijn lichaam heen heeft de miljarden miljarden miljarden zonnebloemen weer in dit lichaam ingevoerd. De honderd mensen van de zonnebloemen zijn nu in mij, kijken via mijn ogen naar de zon. De zon is een zonnebloem. Elk deeltje van de zon, elke atoom, is in de computer, via atoom-chips, verstrengeld met zijn eigen aparte zonnebloem. Deze miljarden keer miljarden keer miljarden zonnebloemen sloegen op hol toen de zuurstof in de kern van de zon opraakte en de zon begon te groeien. Maar ze sloegen op hol om mij te lokken. Om ons, mij, zover te krijgen dat ik het gat in het programma zou ontdekken dat onze uitweg was. Zodat ik getuige kan zijn, zodat ik op tijd heropgeladen werd om dit laatste moment te zien.

Alles om mij heen brandt of is van stoom. De zon raast als ontploffend radioactief helium richting het puntje van mijn neus. Ik voel mijn huid binnen een paar seconden rood worden, zwart worden, mijn zenuwen vallen uit, mijn ogen koken droog, mijn vet brandt weg. Om mij heen eet de zon de aarde op. Hij slikt haar in, bergt haar op in de withete kluis van zijn buik en verteert haar. Ik verander in een puddinkje dat in brand staat en de maan flitst als een luciferkop op en is weg.

Terwijl alles wat deze wereld ooit was, ooit heeft voortgebracht wordt schoongewassen door vlammen om uiteindelijk niets anders over te laten dan een kleine, witte, pokdalige dwerg vol zwaartekracht, hitte en melkachtige nevel, zit ik op een elektronische strandstoel en kijk toe. De zon sterft, de aarde sterft, maar in al die miljarden vlammen zie ik miljarden zonnebloemen bloeien.