SLAA

SLAA

Joop: Jannemieke Caspers

Jannemieke Caspers

Joop: Jannemieke Caspers

Jannemieke Caspers

Deze Noorderwoordmonoloog werd opgevoerd tijdens Noorderwoord op 28 november 2018. De monoloog is geschreven door Jannemieke Caspers en is gebaseerd op interviews met Joop Jorna. De monoloog werd opgevoerd door Paul Hoes.

JOOP

Kijk, een mens leert, ja.
Als je niet leert, ben je echt een eikel. Ja toch?
Ik bedoel niet dat je daarvoor naar school moet gaan.
Ik heb zelf met moeite drie jaar ULO afgerond, en werkte vanaf mijn 15e in de zaak van mijn vader.
Ja eerder eigenlijk al, maar op mijn 15e officieel dan, zogezegd.
Nee, ik bedoel dat je moet leren van je fouten.
En dat je ook fouten moet durven maken, ja. Dingen moet proberen.
Je nek uitsteken, ja, en geen doorsnee mens proberen te zijn.
De mensen durven niet. Dat is vaak het probleem.
De mensen durven niet.
Ik probeer slim te zijn. Dat lukt niet altijd, ja, maar ik probeer het wel.
Als ik alleen maar gewerkt had, dan had ik nu minimaal 100 miljoen gehad.
100 miljoen euro.
Met gemak.
Nu heb ik dat lange na niet. Maar ik heb wel van alles geprobeerd.
Bakken met geld verdiend, ja, en poef!
Ook uitgegeven en verloren.
Er gebeuren rare dingen in het leven.
Om eerlijk te zijn, zelf heb ik helemaal niks. Niet eens een volledige AOW.
Alles staat op naam van mijn twee dochters. Marijke en Anneke.
Als ik dan dood ga, ja, is er ook geen gesodemieter.
Al denkt de gemeente daar anders over.
‘Jij bent hier toch de baas’ zeggen ze dan.
Ze vinden mij maar een lastig mannetje.
Voor wie mij nog niet kent: Ik ben Joop.
Goedenavond.
Joop Jorna.
De meesten kennen mij wel. Het is immers net een dorp hier in Noord.
Van Drukkerij de Beste. Simpel de Beste. IJssalon de Beste. Kip Lekker de Beste.
Die laatste is nu ter ziele, maar goed.
Dat is een ander verhaal.

Ik handel in geld. Dat kan ik goed. Van geld kan ik geld maken.
Ja, zelf kan ik namelijk niks, maar ik ben heel goed in het verzamelen van de Besten.
Mensen die steengoed zijn.
Neem mijn dochter Marijke en haar man. Hij is banketbakker en maakt het beste ijs van Amsterdam. Echt formidabel. En mijn dochter Marijke is de beste verkoper die er is. Steengoed. Of de man van mijn zuster, die was drukker in de zaak van mijn vader: gouden handjes. Mijn zuster: steengoed. Mijn ex-vrouw Cora – steengoed. Steengoed, echt waar.
Op mijn twintigste runde ik de hele drukkerij van mijn vader, ik deed alles behalve de boekhouding. En daar heb ik bakken geld verdiend. Ik heb een grote mond en werkte hard, dus vroeg elke keer om meer en dan kreeg ik dat ook. Terecht, ja, want ik deed alles.

Mijn vader zat alleen maar in zijn pennenwinkeltje op de Van Woustraat.
Kijk mijn vader –
Mijn vader was een baas
Een baas.
Wij komen van de Albert Cuyp. Van 0 tot 15 heb ik daar gewoond, ja.
Daar had hij een heel klein sigarenwinkeltje.
En alle stallen van de Albert Cuyp waren van mijn opa, de vader van mijn moeder.
Een familie vol debielen die standaard na elk feestje keihard gingen vechten, en mijn vader die kon niet vechten, dus die was dan de scheids.
Mijn vader had dus een klein winkeltje en ja – de Duitsers hebben nog geprobeerd om hem op te pakken want hij leek op een Jood, al was hij dat niet – maar goed, hij deed hele grappige dingen om zijn gezin te onderhouden. Slim, allemaal legaal, maar su-per slim.
Wat hij deed –
Die marktkooplieden verdienden bakken met geld, maar wilden geen belasting betalen.
Ja, wie wil dat wel, maar goed, je kunt ook overdrijven..
Mijn vader richtte een financieringsbedrijfje op en dan kwamen ze bij hem.

‘Jaap, ik wil een auto kopen.’
‘Is goed, hier heb je een kwitantie van een lening van 6000 gulden.’

Pa gaf ze geen cent, en hun gaven voor dat bonnetje alleen, 500 gulden.
Bril-jant.
Mijn vader was veel slimmer als de mensen. Hij heeft ook een vertaalbureautje gehad.
Briefjes in het Duits, in het Engels… toen moest er iemand iets in het Italiaans hebben. Mijn vader loopt een IJssalon binnen en vraagt aan de Italiaan of hij het even kan vertalen. Die vindt dat maar al te leuk en mijn vader heeft weer geld verdiend.
Briljant vind ik dat.
Steengoed.

Hij was geniaal, slim en charmant. De mensen vonden hem geweldig.
Maar was gek.
Een dictator met een straatfobie.
Zijn wil was wet.
Niet dat het een nare man was. Maar zijn wil was wet.
En dat is vreselijk.
Als ik met Cora – mijn ex vrouw – op ons 17e naar de film ging, moest ik om 12 uur thuis zijn. Ook al was de film nog niet afgelopen. En als ik te laat kwam zei hij: “Jij gaat het gesticht in.”
Cora heeft in die 25 jaar dat wij getrouwd waren nooit ‘Pa’ tegen hem mogen zeggen.
Maar altijd ‘meneer’.
Want hij was haar vader niet.
Ze konden heel goed samen hoor. Maar hij was zo moeilijk, ja.
Zo moeilijk voor mij. Zo moeilijk.
Maar dat is eigenlijk ook mijn geluk geweest, anders was ik misschien crimineel geworden.
Nou, zeker weten eigenlijk.

Briljant maar zo gek als een deur.
En na 20 jaar voor hem gewerkt te hebben, flikt hij mij een lelijk kunstje en ben ik vertrokken.
Van de ene op de andere dag.
“Joop” zegt hij. “Joop, je verdient te veel. En de zaken gaan niet goed.”
“Nou pa, prima.”
Daar heb ik nooit geen moeite mee, ja. Als de zaken slecht gaan, ik ben niet achterlijk.
“Oke, dan moet je om te beginnen 50 duizend gulden terug betalen.”
“Wat zeg je nou?”
“Ja, je moet nu 50 duizend gulden terug betalen.”
“Ik peins er niet over. Die heb ik verdiend. Weet je wat? Stop jij je hele zaak maar in je reet.”
En toen ben ik weggegaan. Op mijn 36e.
Ja, in die dingen ben ik heel voortvarend.
We woonden toen op twee verdiepingen in zijn herenhuis op de Nicolaas WItsenkade. Hij had dat voor 100 duizend gulden gekocht en op mijn en mijn zuster haar naam gezet.
Dus toen ik ruzie met hem kreeg en vertrok, had hij een probleem.
In principe ben ik altijd van: ik hoef niks te hebben en zeker niet als het niet van mij is, maar hij was zo’n klootzak geweest. Zo’n klootzak. Als hij niet zo’n klootzak was geweest, was ik ook niet weggegaan natuurlijk. En ik ben blij dat ik ben weggegaan.

Hij zegt tegen mij: Wat gaan we doen?
Ik zeg: je hebt het gekocht voor 100 duizend. Ik wil 50 duizend hebben.
En ik kreeg het.

Ik ben meteen naar Gestetner, ja, de leverancier van de offset machines.
Ik zeg: “ik heb heel veel klanten-” Iedere klant kon alleen maar mij – “ik heb heel veel klanten, maar geen onderdak. Kan ik de eerste maanden voor mijzelf bij jullie in de huisdrukkerij werken?”
Daarna op zoek naar een ruimte en ik vind twee geweldige panden aan de Ceintuurbaan.
200 meter van mijn vaders pennenwinkeltje.
Prachtige ruimte.
Alle leden van de korfbalvereniging – wij zijn namelijk korfballers – jij misschien ook wel – nee? jij bent net te klein misschien – nou ja, een grote familie is dat – zij kwamen allemaal helpen.
Schilderen, timmeren, verbouwen.
In 14 dagen was die oude garage omgebouwd tot Drukkerij de Beste.
Maar met twee panden en een enorme machinepark kwam ik 200 duizend gulden te kort.
Ik naar mijn vader toe, ja. Drie maanden nadat ik vertrokken was en zijn drukkerij had leeggetrokken:
“Nou pa, ik kom 200 duizend gulden te kort. En de bank wil niks geven.”
“Nou Joop, toch geen punt. Dan krijg je ze toch van mij.”
Dat maakte hem zo bijzonder. Klasse.
Maar hij vond het natuurlijk fantastisch, omdat hij altijd – altijd – wilde laten zien dat hij de baas was.
Die klootzak.

Een ding heb ik van hem geleerd: wees nooit moeilijk voor anderen.
Mijn kinderen mochten en kregen alles, ja.
Altijd privé les van de Besten.
Toen mijn dochter Anneke geslaagd was, ja, op de universiteit – ze is kinderarts, de beste, echt steengoed – en wij zijn gek op feesten geven moet je weten – wilde ik in een etentje geven in het Amstel Hotel.
Dat vind ik grappig, al is het allemaal onzin. Maar toch.
Ik daar naar toe.
Ik zie er mijn leven lang sjofeltjes uit, ik had niet eens schoenen aan, ik liep altijd op sokken namelijk.
Ik heb tien jaar gegokt in het Holland Casino en ik was de enige daar die op sokken liep.
Je begrijpt: Ik kon mij veel permitteren.
“Dag meneer. Ik wil hier komen eten met 40 man.”
Hij bekijkt mij en zegt: “U hoeft hier niet te komen hoor.”
Wij meteen door naar het Apollo. Prettig ontvangst, fantastisch. Dus daar zijn wij gaan eten met 40, 50 man. Inclusief de hele
drukkerij.
Als verrassing had ik voor de meiden, en ook voor Cora – al was het huwelijk eigenlijk al stuk, een cabrio gekocht.
Een gele, zwarte en een blauwe.
Met op elke nummerplaat hun eigen naam.
Die had ik dus precies voor het Apollo neergezet, ja. Komen we buiten, zit er op alle 3 een bekeuring omdat er geen nummerplaat op zat.
Kijk, mijn kinderen kregen alles van mij.
In tegenstelling tot mijn ex-vrouw, daarom ging het huwelijk ook stuk.
Cora is op.
Teveel gerookt, teveel gedronken. Ze kan nauwelijks meer lopen.
Toen wij uit elkaar gingen zei ze: “Joop, jij mag alles houden, als je maar altijd voor mij blijft zorgen.” En dat doe ik. Ze hoeft geen huur te betalen en ook haar ouders woonden in een huis van mij. Ze krijgt zoveel ze wil en kan alles doen en laten. Het is een vreselijk aardige vrouw, – vreselijk aardig – ze is heel belangrijk geweest in mijn leven. Ze heeft zich nooit ergens mee bemoeit. Had ik ineens 40 appartementen gekocht zei ze: prima, is er wel wat te eten?

Twaalf jaar geleden kwam ik hier, in Noord.
Noord is ge-wel-dig, iedereen kent elkaar.
Dit is het mooiste stukje, ja, echt uniek. Ik heb een neus voor goede plekken.
Er zat een zaakje – dat heette Bloemenreclame – gerund door een Turks echtpaar. Daar ben ik blijven hangen. Ja.
Het liep al niet zo lekker tussen die twee, ja, dus die man is weggegaan, en met Aylar kan ik steengoed opschieten en toen is zij mijn vriendin geworden. En de zaak werd drukkerij Simpel de Beste.

Zo rommel ik wat aan.

Nu ga ik een ijsfabriek beginnen.
Want ons ijs is formidabel.
In Amsterdam verreweg de beste.

Op mijn vijftiende heb ik gezegd: een ding wil ik niet. Ik wil nooit in een bejaardentehuis. Ik ga werken zodat ik geld heb om mijn leven lang verzorgd te worden.
Ik had ook makkelijk de Olympische spelen kunnen halen, dat was mijn droom, want ik kon heel goed lopen. Ik was de snelste van de atletiek vereniging.
Of crimineel dus, als mijn pa niet zo streng was geweest.
Dat lijkt me heerlijk. Altijd tegen de regels in gaan.
Ik hou niet van regels.
Maar je moet wel netjes zijn!
Met je voeten hier op mijn stoelen gaan zitten, vind ik verschrikkelijk vervelend.
Maar crimineel zijn is ook niks, moet je altijd achterom kijken.
Ja.
Nu heb ik veel geld, om er tegenin te gaan. Ben ik de baas.
Nou ja, eigenlijk heb ik niks. Alles staat op naam van mijn dochters, ja.
Ze weten niet eens wat ze hebben. Het interesseert ze niet.

Mijn jongste kleinzoon wil toneelspeler worden. Hij heeft talent. Echt.
Hij is steengoed.
“Wat wil je later?” vraag ik hem.
“Een eigen theater” zegt ie dan. “Een eigen theater.”
Geen punt, jongen. Opa koopt – als ik dat nog mee mag maken – een theater voor jou.
En mijn twee oudste kleinzoons… dat zijn niet alleen hele knappe jongens – want dat zijn ze echt, ja – dat zijn hele talentvolle korfballers. En altijd, waar dan ook, als ze mij zien, komen ze even knuffelen. Jongens, van 17 en 19 jaar hè.

Ik blijf werken tot mijn dood, maar het moet niet saai zijn.
En soms verlies je dan een hoop.
Maar ja, dan heb je het in ieder geval geprobeerd.
Als er ooit wat zou gebeuren met mijn kinderen of kleinkinderen, dan is het klaar.
Dan hoeft het voor mij niet meer.
Maar voor de rest…

Voor de rest is het eigenlijk allemaal onzin. Ja toch?