SLAA

SLAA

Fred: Malou de Roy van Zuydewijn

Fred: Malou de Roy van Zuydewijn

Deze Noorderwoordmonoloog werd opgevoerd tijdens Noorderwoord op 14 oktober 2015. De monoloog is geschreven door Malou de Roy van Zuydewijn en is gebaseerd op interviews met Fred. De monoloog werd opgevoerd door Helmert Woudenberg.

Hoi, hallo, gezellig hier zeg.
Zit u nog een beetje lekker?
Ik vraag me soms af of je 85 moet worden om interessant te zijn.
Je hebt natuurlijk wel meer levenservaring he.
Dat zal het zijn.

Laat ik beginnen met vertellen van het kanoën.
Heb ik veertig jaar gedaan, overal.
IJsselmeer, Middelandse zee,
de Noordzee, meren,
maar ook hier vlakbij,
in Ransdorp en Zunderdorp.
Maar de bergen, de bergen zijn het mooist.
Het is natuurlijk een gevecht he,
met dat zwarte water.
Dat kan ruig zijn hoor.
Ik ben 1 keer bijna verzopen.
Maar de wereld er omheen,
de natuur, dat is-
Dat je in je boot zit te janken en denkt:
Mijn God, dat ik dit mee mag maken.

De eerste keer was ik onderweg naar kanokamp in den Haag.
Het was heel, heel warm.
Ik reed er in mijn autootje naar toe.
Beetje tanken, rijden en wat zo verder.
En ik rijd op de dijk,
hoog in het Westland,
beneden zijn allemaal kassen en al die dingen meer,
en ineens zit ik aan de linkerkant van de weg.
Dat is raar, denk ik.
Ik stuur terug en probeer te snappen hoe het kwam.
Maar ja- vraagteken.
Even later zit ik weer op de linkerhelft.
Ik denk dit is raar.
Ik stop de auto en stap er uit.
Tenminste, dat probeer ik,
want ik pak met mijn hand het portier,
zet mijn voeten op de grond en zak in mekaar.
Daar ben je dan, in je uppie,
geen sterveling te bekennen,
en je hangt zo met je rechterhand aan het portier.
Je moet plassen maar je dorst die auto niet los te laten.
Dus ik stap maar weer in de auto.
Op een gegeven moment,
daar beneden bij die kwekerij, daar loopt iemand.
Weet u wat het is zeg ik,
ik voel me heel raar.
Het is niet te verklaren, het schommelt.
Ik moet naar de madelief zeg ik, het kanokamp.
Want eigenlijk, ja-
Ik heb hulp nodig.

Enfin, ik kom heelhuids aan bij de Madelief.
Alles verteld en het ging weer,
dus ik begin me tent op te zetten.
Maar dan: whop, krachteloos voorover, plat op je gezicht.
Ik denk: het is een zonnesteek.
En ik stap in mijn kano om iets voor te doen,
maar als ik de steiger op stap:
flats, plat over de steiger heen.
Dan zegt iemand:
Kom, we gaan naar het ziekenhuis.

Een tia is van voorbijgaande aard.
Een klein propje in je hersenen.

De tweede komt een jaar later, als ik op de tuin ben.
Ik word ’s nachts wakker, kan me niet bewegen.
En weer dat golfgedrag, dat schommelen.
Zwaaiend en zwierend rijd ik naar het ziekenhuis.
Van die plakkers op je lijf, je kent het wel.
De verpleegster zegt dat alles goed is.
Ik denk het is helemaal niet goed maar ik kan geen verweer geven,
ik- ik- ik- ik ben geen dokter.
Dus ik scharrel maar terug naar de tuin.
De volgende ochtend is redelijk goed.
Ik heb zelfs nog m’n vrouw,
die met haar dochter naar India ging,
naar schiphol gebracht.
Kapot was ik, zo moe.
Een CVA, zeggen ze in het ziekenhuis.

Ik word ik opgenomen, revalidatie, alles.
Daar ben ik zo dankbaar voor,
die therapeuten op de Overtoom.
Dat is de vraag: Hoe vijzel je mensen weer op?
Ik ben nu vrijwilliger bij Het Edouard Douwes Dekker huis
En ik weet dat de goegemeente om die mensen heen loopt.
Ik kan niet met mensen die in de sores zitten,
die verslagen zijn door het leven,
die weten dat niemand zich met hen wilt bemoeien-
(want mensen weten niet wat ze moeten zeggen alleen van ‘kom op’ of iets dergelijks),
daar kan ik niet omheen lopen.
Ik ga bij hen zitten en ik zeg: vertel maar.
Ik heb de tijd.
Bij zo’n revalidatie moet je alles opnieuw leren.
Opstaan. Hoe werkt dat?
Thee drinken, hoe moet dat ook alweer?
Nog een bakkie?
(Zet thee, scharrelt in de keuken)

God nog an toe zeg.
Ik loop weer te zwaaien, net of ik dronken ben.
Terwijl ik heb nooit een druppel gebruikt.
Schilderen, wat ik vroeger deed, gaat niet meer.
Tekenen wel. Kanoën niet.
Je moet het maar accepteren.
Het is geen drama maar de ander die het ziet denkt misschien:
Hee, wat is er met die knaap?
In het Eduard Douwes Dekkershuis loop ik wel eens tegen de muur als ik last heb van die poot.
Me sleeppoot.
Dan vragen ze ben je wel goed.
Maar ik zit nog elk jaar achterin de kano bij de andere kampgangers,
ik slaap gewoon in mijn tentje,
dus het valt allemaal wel mee.
Het is meer:
ik vraag me soms af waarom mocht ik terug komen.
Ik bedoel: ik had er 18 jaar geleden tussenuit zullen piepen.
Maar hier ben ik.

Ik heb een prachtige jeugd gehad hier.
We konden spelen wat we wilden,
geen angst voor auto’s en dergelijke.
Er kwam alleen af en toe een handkar langs of paard en wagen.
Even verderop,
in de azaleastraat in de Van der Pek,
daar ben ik geboren.
Ik had het voordeel dat Amsterdam Noord een leeg gebied was.
Die bedrijven en gebouwen waren er nog niet.
Dus je had een eindeloze zandbak.
En er woonden jonge gezinnen dus het krioelde van de kinderen.
Dat kanaal bij de wingerdweg-
dat was vroeger een zwembad.
Daar lagen we dagelijks in te spartelen.

De stad was een mierenhoop,
erbarmelijke woonomstandigheden.
Mijn ouders hebben eerst in de pijp in die omstandigheden-
en dat was nog fatsoenlijk want in de jordaan woonden mensen in kelders en zo meer.
Die mensen kregen de kans op een huis hier omdat ze bij die bedrijven werkten.
Of omdat ze lid waren van de bouwvereniging.
Heel Noord was eigenlijk een soort sociale woningbouw.
Hier waren de gemeentewoningen.
De leken gingen naar Floradorp.
Dat noemden ze de rimboe.
De mensen die daar woonden kwamen uit Asterdorp, Veenhuizen, de Jordaan.
De meesten die in Floradorp woonden zaten in de steun.
Heel saamhorig was het daar.
Maar ook ruig.
De ene dag sloegen ze mekaar de hersens in,
de volgende dag was het: wil je koffie?

Er woonden ook mensen hier die- ja,
die niet mee konden komen.
Fietje Peukie, Simon Strontvlieg-
Simon, die arme aap met zijn lange armen.
Hij liep altijd mee met de schillenman en zijn paard.
En dan begonnen ze: Simon Strontvlieg!
En dan begon Simon van: “hu hu hu!”
Dat was koren op de molen voor die jenners.
Ik ben aan het vechten geweest-
Die klanten moesten hun bek houwen!
Maar tegen volwassenen kon ik niet op.
En die deden het ook.
Jantje, die kom je een enkele keer nog tegen bij de scheepsbouw.
Een schlemiel die elke dag naar de inrichting ging met de tram.
Onderweg naar huis stapte hij uit bij het Boven IJ ziekenhuis.
Dan liep ie over de parkeerplaats.
Daar waren van die putten en daar ging ie zo boven hangen.
Zo. En kijken.
Daarna liep ie naar de volgende put.
Weer kijken.
Als ie er een stuk of vijf had gehad ging hij naar de receptie en zei:
“Alles in orde hoor.”
Of Fietje Peukie, allemachtig.
Een oud vrouwtje dat rookte als een schoorsteen,
maar ze had geen centen dus ze schraapte peuken van de straat.
Haar vingers waren zwart, altijd.
Ook zo’n schlemiel.

Ik hield van die mensen.
Ik had enorm respect en tegelijk schroom:
waarom moet ik nou zo zijn en deze stumpers..
Je kunt niet zeggen ‘we hebben ons rot gelachen met die knar’.
Dat kun je niet zeggen.
Het zijn mensen, het zijn stumpers die willen leven.
God nog aan toe wat kunnen mensen rot zijn.
En wat kun je veel doen door gewoon iemand lief te vinden.
Dat zou ik wel tegen die mensen willen zeggen:
Je bent mn vriend.
Simon, je bent mn vriend.

Na die beroertes mag ik weer rijden.
Ik wil zo graag terug naar Schotland.
Ik wil zwerven, tentje opzetten waar het mooi is,
drinken wat er op me af komt.
Ik ga met een vriendin van vroeger.
Ik loop nog steeds met een stok.
Op een gegeven moment zijn we in Skye.
Dat is een eiland dat omhoog loopt naar de oceaan, en dan plotseling van die klifkusten.
Er zitten zeehondjes beneden,
het zeewier vliegt je om de oren,
en ik sta te trillen op mijn benen.
God, dat ik hier weer sta.
Hou me vast zeg ik.
Hou me vast.
Ik had onder de grond moeten liggen en nu sta ik hier.

Weet u,
dat mag u best weten,
ik kijk met genoegen naar mensen die gelukkig zijn.
Dat je in het park zit en mensen ziet overpeinzen.
Dat je denkt: dat is het leven.
Kijk, het is leven;
het is ontstaan en ik kan heel veel biologische zaken zeggen,
maar toch blijft het onvoorstelbaar:
al die planten hebben zijn anders,
ze bloeien anders, ze-
Zo is het ook met mensen.
Het is-
Je kunt het leven niet vruchteloos voorbij laten gaan.
Er zijn te veel mooie dingen, te veel rotte dingen.
Er is te veel leven, te-
Je kunt het niet vruchteloos voorbij laten gaan.

Ik heb een cd met dat stuk van Mahler.
God hoe heet dat ding.
Gezongen door Kathleen Ferrier.
(scharrelt)
Kathleen Ferrier, Kathleen Ferrier..
Die cd, die stem,
dat mogen ze draaien als ik de pijp uit ga.
Ik heb de rest van mn nalatenschap ook geregeld.
Me eigen rouwkaarten gemaakt,
me afscheid speech.
Dat je afscheid neemt van de zaal.
Dat heb ik allemaal opgeschreven.
Ligt in een map in de kamer hier naast.
En dan de vijfde van Mahler, dat was het geloof ik.
En de stem van Kathleen Ferrier.
Het lijkt me prachtig om met die stem te verdwijnen.
Laat ik het zo maar stellen.
Wil je het horen?

Speelt Kathleen Ferrier, lied van Mahler:
Ich bin in der Wellt abhanden gekommen

Ja, dat lijkt me wel wat.
Om zo afscheid te mogen nemen van de zaal.