SLAA

SLAA

SLAAxPapierenHelden: ‘REYNISFJARA’ door Rosa Braber

SLAAxPapierenHelden: ‘REYNISFJARA’ door Rosa Braber

Met het online project SLAAx vissen we in de vijvers vol talent van uiteenlopende literaire platformen. We werken met ze samen om jonge schrijvers uit hun stal een verhaal, gedicht of essay te laten schrijven met het losvaste thema ‘de stad’. Iedere twee maanden lees je in deze serie een speciaal voor ons geschreven stuk. In aflevering 16: SLAAxPapierenHelden met ‘REYNISFJARA’ door Rosa Braber.

Beeld: Koebeen

Ik heb vandaag mijn honderdveertigste progesteronpil genomen. Een dag eerder dan eigenlijk mag. Maar ik voelde mijn gemoed met een rotvaart naar beneden denderen vanochtend, dus nam ik ‘m op de dertiende cyclus-dag.
Code oranje en een rood alarmlicht. Dat betekent dat je het strand niet op mag. Levensgevaarlijk. Er zijn hier namelijk sneaker waves, die onaangekondigd ver het zwarte zand oprollen en mensen mee de oceaan in sleuren. Ik denk aan het Duitse meisje van negen jaar dat met haar vader en zus in die grot stond, om foto’s te maken toen een reusachtige golf haar de zee introk. Haar ouders probeerden het water in te rennen, ze werden tegengehouden, ze zouden er nooit meer uit geraken. De grote zus riep steeds: ‘Red mijn zusje, alsjeblieft, red mijn zusje!’ Twintig minuten vocht ze met de golven, daarna verdween ze uit het zicht. De helikopter kwam te laat.
Het strand staat vol mensen. De zee is wild, de lucht grijs en zwart, de regen slaat ons in het gezicht, de wind trekt aan onze ledematen en het is adembenemend. Grof en prachtig. Die mensen vind ik allemaal dom. Ik word boos als ik een vader, met een kindje van een jaar of drie op zijn schouders, naar de kustlijn zie lopen en zich daar omdraait om een selfie te maken. Leuk, hij en kind met op de achtergrond de verwoestende zee. Het zou hun laatste foto kunnen zijn.
Als hij langsloopt, zet ik mijn gezicht op onweer. Hij stiefelt me voorbij, ziet me niet eens, lacht naar zijn vrouw die niet gekleed is op dit weer, het kind op zijn schouders hapt van een kaneelbroodje. De foto gaat op de socials, dat zegt hij tegen zijn verkleumde vrouw: ‘I’ll put it on the socials.’

Gisteren, boven de traditionele vissoep in de kantine van een klein natuurmuseum, vroeg ik J. of er dingen waren die ik niet van hem wist. Hij dacht lang na en terwijl hij dat deed, slurpte hij soep. En toen hij het laatste stuk zompig brood op had – hij depte het laatste restje soep op met stukken brood, als zich volzuigende sponzen – toen pas gaf hij antwoord. ‘Ik heb een keer een molshoop expres kapotgetrapt en ik heb wel eens een vrouw in mijn mond laten plassen.’
Ik zei dat ik hoopte dat dat plassen niet tijdens zijn blauwe maandag in de thuiszorg was. Hij zei dat mijn humor ziek is. We wilden eigenlijk nog een taartje delen, maar hij vroeg de rekening. Geen taartje.
Er steekt een rots uit het water, een zwarte rots. Ik vind dat die rots lijkt op een scheur in onze wereld, een tunnel die je naar een andere dimensie brengt. De zee kolkt eromheen, wit schuim spat hoog op. Niemand zou het ooit lukken levend aan te komen bij de rand van ons bestaan.
‘A crack in our existence,’ zeg ik.
‘I think it looks like a dick,’ zegt J.
Ik denk aan de kleine handjes van Josie en hoe graag ik die nu op mijn gezicht zou willen voelen. Hoe graag ik haar lijfje tegen me aan zou willen drukken en me afvragen met wie ze nu zou spelen.
J. zegt dat het vermoeiend is, dat ik anders ben sinds – ik zeg dat het mijn hormonen zijn. Hij zegt dat hij dat heus wel weet, maar dat die wetenschap het niet makkelijker maakt. Ik ben boos, woest vaak, dat het om hém gaat, dat het voor hém niet makkelijk is, een onbestendige vrouw. Ik schreeuw tegen hem, waar Josie bij is, en dan kijkt ze met grote vragende ogen en voel ik me schuldig. Ik zweef als een onzichtbare grimmige mist tussen de mensen, zeg dat ik me niet thuis voel. Ik zoek thuihuis, zeg ik, het is beangstigend om te zweheven, zeg ik.
En als het bloeden is begonnen heb ik dat thuis gevonden, maar dan begint het fysieke feest. Loop een week of twee leeg, plan mijn dagen rondom wc-bezoeken, binnens- en buitenshuis, want het leven gaat door, sta met bebloede handen bij wastafels, drink smoothies met biet en spinazie, eet rood vlees, boen met de toiletborstel het rode spoor weg, de kringen onder mijn ogen worden donkerder, mijn huid bleker, J. maakt warme kruiken voor me, we zeggen dat dit echt niet normaal is, zoveel bloedverlies, dat kan toch niet normaal zijn, de gynaecoloog zei ‘niets uitzonderlijks hoor’ en ja, het gaat al beter dan een jaar geleden, toen ik dacht dat ik van het balkon moest springen, of al mijn allergiepillen tegelijk innemen, maar dat ik ook wist: dit ben ik niet, er zit iets in mijn hoofd nu, dit is eng. En dat ik in het aanrecht kneep omdat dat wel echt was, en die gedachten niet, en zolang ik iets echts kon vasthouden, zolang bestond ik in ieder geval nog. Zo erg is het niet meer. Door die progesteronpillen.
Maar we gaan wel uit elkaar.

Ik moest huilen toen ik hoorde dat David Lynch dood was. J. was er stil van. We keken alle Twin Peaks-afleveringen opnieuw. En zijn films. Een paar weken lang zaten we avond na avond tegen elkaar aan op de bank, dat was fijn, en als ik me niet zo aan zijn snuivende neusademhaling had geërgerd, dan had ik me echt weer als in onze beginjaren kunnen voelen.
Ik probeerde een cherry pie te maken, maar die mislukte. We dronken weer filterkoffie.
Toen Josie drie weken oud was, ging J. voor twee maanden terug naar Colombia. Zijn moeder was ziek. Dus natuurlijk moest hij daarheen, zei ik. Dat ik het hem kwalijk nam dat hij mij alleen liet met een pasgeboren baby, zei ik niet. En als ik het dacht, zette ik de douche expres op heet en de timer op mijn telefoon op vijf minuten. Tot de theme song van Twin Peaks tegen de muren van de badkamer echode. Dan mocht ik er roodgloeiend onder vandaan. Wipte met mijn voet het wipstoeltje waarin Josie zat op en neer, droogde me af, smeerde mijn gezicht in met Koreaans serum. Ik rook altijd naar rijst na dat serum, had liever jasmijn gehad maar die was zo achterlijk duur dat ik dacht: daar doe ik mooi niet aan mee.
J. pakt mijn hand vast, ik moet huilen. Ik denk dat hij ook huilt, maar J. zegt altijd ‘echte mannen huilen niet’, dat gaat echt totaal tegen mijn opvattingen over mannen en huilen in, maar volgens J. komt het door zijn cultuur, en ja, wie ben ik dan om wat terug te zeggen.
Maar ik denk dus dat J. huilt, want na veertien jaar samen ga je dingen ontdekken, begin je de kleine ontsnappinkjes te zien. De uitgestippelde vluchtroutes. Als J. huilt maakt hij zich groot, zuigt een gigantische hoeveelheid lucht in zijn longen, houdt zijn adem in tot hij niet meer kan, blaast uit, hoest, haalt zijn neus op en zegt dan: ‘I think I’m getting a cold.’ De enige twee keer dat hij dit niet zei maar wel huilde, was bij Josies geboorte en toen ze, toen hij haar slappe lijfje tegen zich aandrukte, vijf maanden nadat ze ter wereld was gekomen.
Ik hoop wel echt dat we nog één keer seks gaan hebben met elkaar. Anders vind ik dat hele uit elkaar gaan een beetje stoffig. Out with a bang, dat lijkt me wel wat.
Wil hem het liefst door elkaar schudden en roepen: ‘Wat doen we! Waar zijn we in godsnaam mee bezig!’ Zou hij dat ook hebben. Hij laat mijn hand los. Laat me op zijn telefoon een foto zien van Josie, ze heeft een rood aardbeienmutsje op en hij heeft me deze foto gisteren al laten zien. We kijken verscheurd en vertederd, maar niet naar elkaar.
Ik ben bang voor hoe stil ons huis is als we terugkomen. We willen er allebei niet blijven. We kunnen allebei niet tegen ons huis. Het heeft geen fundament meer en wordt bij elkaar gehouden door onze herinneringen aan wat een huis zou moeten zijn. Een dun vlies dat op scheuren staat, het enige bewijs dat er ooit iets was, iets dat we op wilden bouwen, iets waar we in geloofden.
J. zegt dat hij zich voorstelt hoe het is om vlak voor die woest golvende Atlantische Oceaan te staan, hoe hij een gigantische golf op zich af ziet komen, hoe zijn lichaam zich aanspant, maar dat hij niet wegrent, nee, hij gaat het omkeren, hij gaat de oerkracht van onze planeet bevechten, of nee niet bevechten, omarmen, dat zegt hij, hij omarmt dat wat hem de diepste afgrond insleurt, maar dat overleef je niet, zeg ik en hij, hij knikt alleen maar, ritst zijn jas tot zijn kin dicht, zegt dat hij het koud heeft – of we terug naar de auto kunnen. Ik kijk nog een keer naar de zee, ik denk mezelf de zee.

Foto: Kseniia Kovalenko

Rosa Braber (1989, NL) is een Nederlandse multidisciplinaire kunstenaar die werkt als performer, acteur, schrijver en regisseur. Haar artistieke praktijk beweegt zich tussen Rotterdam en Wenen. Ze studeerde aan de Toneelacademie Maastricht, waar ze onder meer samenwerkte met Thomas Verbogt, Tjitske Jansen en Abke Haring. Na haar afstuderen in 2012 maakte ze solovoorstellingen en nam ze deel aan verschillende samenwerkingsprojecten, in zowel Oostenrijk als Nederland. Ze speelde vijf jaar als acteur bij Das Bernhard Ensemble in Wenen, en is sinds 2020 freelance theatermaker. In 2019 was Rosa Writer in Residence aan de Jan van Eyck Academie; in 2023 nam ze deel aan het gerenommeerde ATLAS-programma van ImPulsTanz. Als medeoprichter van Wolf Collective creëerde zij meerdere producties. Wolf Collectives’ meest recente theaterwerk, WO-MAN – a Revolutionary Rave, ging in 2024 in première en werd in november 2025 hernomen. In mei 2026 is Rosa, samen met beeldend kunstenaar en performer Rosalie Wammes, uitgenodigd als Artist in Residence bij het Akureyri Art Museum in IJsland. Daar doen ze onderzoek naar thema’s als geboorte en de relatie tussen moederschap en artistieke praktijk. Dit project is een vooronderzoek voor de voorstelling BIRTH, waarin elektronische muziek, teksttheater, koorzang, beeldende kunst en clubcultuur samenkomen. Voor dit project ontving Rosa het Arbeitsstipendiumvan de Stadt Wien, een beurs voor artistiek onderzoek en artistieke ontwikkeling. Als performatief auteur presenteerde Rosa haar teksten onder meer bij Poetry International, Parfum de BoemBoem, Perdu en Woorden Worden Zinnen. Haar korte verhalen en gedichten verschijnen sinds het nulnummer in 2020 regelmatig in het literaire tijdschrift Papieren Helden. Ze trad onlangs op in ANTIDOOT, het allereerste Proefkonijn van Papieren Helden in Theater de Richel. Haar werk bevindt zich op het snijvlak van verschillende kunstvormen en creëert immersieve werelden waarin de werkelijkheid nieuwe betekenislagen krijgt

Papieren Helden zoekt verhalen die om zich heen kijken, die uit het ik en de eigen sfeer breken, die onderzoeken en experimenteren. Verhalen die inspireren en op andere gedachten brengen. Papieren Helden is blijvend op zoek naar nieuwe elkaar versterkende combinaties van proza en poëzie met beeldende kunst, muziek, stripverhaal, theater, film. Papieren Helden daagt schrijvers uit tot engagement. Niet expliciet en een-op-een, maar als stil fundament: Hoe gaat fictie de wereld redden?