SLAA

SLAA

We gaan vanzelf vooruit

Maxim Februari

We gaan vanzelf vooruit

Maxim Februari

Nieuw in De Verwachting

De Verwachting

We gaan vanzelf vooruit
Maxim Februari

Nieuws

‘Ik heb nieuws,’ schrijft P. ‘Vertel,’ schrijf ik. Maar ze antwoordt niet. ‘Geef eens aanwijzingen,’ schrijf ik. ‘Hoeveel lettergrepen heeft het nieuws? Waar klinkt het naar? Op welke acteur lijkt het?’ Maar ze antwoordt nog steeds niet.

Ze heeft een Mercedes Benz gekocht, denk ik. Ze gaat een modezaak beginnen. Haar boek is af. Ze krijgt een kind. Ze heeft het Rongorongo-schrift ontcijferd. Ze is vreemdgegaan met een man uit Scandinavië. Haar man is vreemdgegaan met een man uit Scandinavië. De tegenpartij is eindelijk overstag gegaan. Ze heeft een steen in de vijver gegooid. De kogel is door de kerk. De rapen zijn gaar. De teerling is geworpen. Ze staat op scherp.

Toekomst

Wachten op de toekomst is een must. Van onze humanistische cultuur moet je hoopvol zijn, en optimistisch en maatschappelijk constructief. Optimismus ist Pflicht, zegt Karl Popper en de meeste politici ter linker- en ter rechterzijde citeren dat. Popper bedoelt er allereerst mee dat de toekomst open ligt: die staat niet bij voorbaat vast; en dus kan niemand haar voorspellen; de mogelijkheden die in de toekomst liggen zijn eindeloos. ‘Wanneer ik zeg dat optimisme een morele plicht is,’ schrijft Popper vervolgens, ‘bedoel ik niet alleen dat de toekomst open ligt, maar dat we allemaal meehelpen die toekomst vorm te geven door wat we doen. Dus hebben we allemaal de plicht, in plaats van iets slechts te voorspellen, die dingen te ondersteunen die kunnen leiden tot een betere toekomst.’

Verwachting, zou je kunnen zeggen, is niet iets wat je hebt, maar wat je doet. Niets staat van tevoren vast en daarom is elke verwachting een zelfvervullende profetie. Voorspel daarom geen rottigheid.

Laat ik daarbij aantekenen dat je het makkelijkst voorstellingen van een betere toekomst kunt hebben, hoop en dromen, als de wind gunstig staat. Optimisme is deels plicht, deels luxe. Je kunt je uiteraard netjes gedragen als het niet meezit, het zou een mooie boel worden als dat niet zo was, maar het beeld van een betere toekomst behoort thuis in de context van de levenslust. Verwachting is een teken van vitaliteit. En wie vitaal is, heeft mazzel.

Droom

Een paar weken geleden was ik midden in de nacht in de keuken op zoek naar eten toen ik mezelf hardop een gedicht van Hans Lodeizen hoorde declameren. Of misschien was het de dichter zelf die door mij sprak. Eerlijk gezegd was ik te druk in de weer met plastic verpakkingen en broodmessen om aan poëzie te denken, het zal Lodeizen zelf dus wel zijn geweest, vanuit zijn graf; in de nacht is veel mogelijk.

De dichter had een belangrijk besluit genomen, zei hij. En gelijk met hem zei ik in het halfdonker hetzelfde.

‘ik heb het belangrijkste besluit
ooit door een mens gedaan,
genomen:
een steen door de ruit
te slaan
van mijn dromen.’

Ik keek ervan op, toen ik eenmaal besefte wat ik had gezegd. Buiten scheen de maan op de brokken van de oude stadsmuur, de negentiende-eeuwse lantaren voor mijn huis verlichtte de rest van de pittoreske rimram die mijn uitzicht bepaalt. En kennelijk had ik zelf net de ruit van mijn dromen ingeslagen met een steen.

Heden

Met het ouder worden krijg ik steeds vaker brieven van jonge schrijvers. ‘Hoe weet jij hoe je moet leven?’ schreef een schrijver me laatst. Ik weet niet meer wat ik precies heb geantwoord, maar eerlijk gezegd kan ik niet vertellen hoe je moet leven. Ik leef. En ik stel vast dat ik nu, na decennia te hebben geleefd, opeens ben aangekomen in het heden. Dat ik nu eindelijk zonder dromen of verwachtingen ben. Heb ik dan niet de morele plicht verwachtingen te koesteren en plannen voor een betere toekomst? Vreemd genoeg denk ik tegenwoordig dat in-het-heden-leven voldoende is, de toekomst komt wel.

Jaren geleden, op een dieptepunt van mijn leven schreef ik een brief aan C. ‘Ik kan niet vooruit en niet achteruit,’ schreef ik. ‘Achteruit kan niemand,’ schreef C. ‘En vooruit zal wel moeten.’ Zo is het. Vooruit krijg je cadeau.

Niets

Ik zit op een stoel in een vreemde stad en ik wil naar huis, maar er is geen huis. Dat wil zeggen, die stoel is mijn huis. En dat is goed zo.

Ich hab’ meine Sach’ auf nichts gestellt, juchhe!’ schrijft Goethe. ‘Drum ist so wohl mir in der Welt, juchhe!’ En Schopenhauer, de pessimist, valt Goethe zowaar bij. Goethes drinklied, schrijft Schopenhauer in Parerga und Paralipomena, laat zien dat je levensgeluk vindt zodra je terugkeert naar het naakte bestaan. Geld, roem, vrouwen, strijd: Goethe laat alle opties voorbij komen, om te ervaren dat ze allemaal zijn verlopen. En dan stelt hij zijn zaak dus vrolijk op niets. ‘Und wer will meine Kamerade sein, / Der stosse mit an, der stimme mit ein.

Vooruit gaat vanzelf. De toekomst krijgt vorm vanuit het heden, vanaf onze stoel, vanuit de keuken. Door al die duizenden dingen die we doen, al die eindeloze mogelijkheden die we verwezenlijken als we zonder al te veel praatjes en voorspellingen leven.

 

//

Deze tekst is geschreven in opdracht van SLAA voor het Brainwash Festival 2018. Tijdens het programma De Verwachting lieten zes schrijvers hun licht schijnen op het begrip ‘de verwachting’. Lynn Berger, Marjolijn van Heemstra, Rodante van der Waal, Radna Fabias, Marja Pruis en Maxim Februari lazen ieder een column voor over wat de verwachting met hen doet. Aansluitend ging moderator Sophie Derkzen met hen in gesprek.