SLAA

SLAA

Stadsgedicht: De nacht wacht op niemand

Stadsgedicht: De nacht wacht op niemand

De nacht wacht op niemand

Waar is die stem uit het niets,

die ons doet herinneren dat

de heilige grond onder onze voeten is gezuiverd door inheems bloed?

In het World Press Photo House hangt een foto, hij heeft geen stem.

Ik ben uitgestapt bij de Wibautstraat, loop langs de bomen die hun

gevallen bladeren nu kleur geven. Ik heb

een smakelijke lijst van eisen geworteld.

Eerst langs het Tropenmuseum, de gloeiende zaden van een nachtelijke

tuin die tot volle manen zullen bloeien zonder rekening te houden met de zon.

Dan naar VondelCS, een vrijwel onontgonnen

en onbekend gebied van exponentiële mogelijkheden.

Ik ben een nachtbraker, ik sluier de nacht in de zeven namen van de wind

door de verhalen van hun weggeblazen dochters.

Je zult luisteren naar de diva in mij, meer ontdekken over jezelf,

ons lichaam is een dragqueen.

Er hangt een foto, hij heeft geen stem.

Kijk naar hem en zie de geruchten van hongersnood en ziektes.

Alle hagel het nieuwe begin, zie de winters eindigen.

Breng de poppen en draken mee als de ceremonies beginnen.

Laat voor altijd bladeren vallen,

terwijl ik met het voorportaal van mijn geestelijke gezondheid alle

routes ontcijfer van Het Oog van Amsterdam tot Van Gogh,

vanavond zijn wij ingelijst om herboren te worden,

ongeboren, onbegraven, omgebracht.

Museumnacht.