SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Vrouwkje Tuinman

Daan Doesborgh

De Poëziepodcast: Vrouwkje Tuinman

Daan Doesborgh

De nieuwste aflevering van de Poëziepodcast is er een die ik al een jaar wil maken, maar waar ik al net zo lang een beetje tegenop zie. Toen op 16 maart 2018 dichter F. Starik overleed aan een hartstilstand wist ik al vrij snel dat ik een aflevering van deze podcast over hem wilde maken. Maar niet de aflevering die ik het liefst had willen maken, want dat is er natuurlijk een waar hij zelf in te gast zou zijn. Ik had het Starik gegund dat het was gegaan zoals zijn iets meer dan een maand eerder overleden vriend Menno Wigman, aan wie ik eerst een aflevering en toen nog een klein eerbetoon heb kunnen wijden. Starik zal het met een groot eerbetoon moeten doen, en dat is er nu.

Ik had ook al vrij snel de ideale gast in gedachten, inderdaad mijn gast van deze maand: Vrouwkje Tuinman. Ze was decennialang de partner van Starik en, in de eerste plaats, zelf ook dichter. Maar toen ik Vrouwkje wilde vragen bekroop me de vrees dat ik haar misschien het gevoel zou geven dat ik haar alleen als vrouw-van uitnodigde, en niet ook omwille van haar eigen werk. In werkelijkheid stond Vrouwkje allang op mijn dichtersverlanglijst, een lange maar geheime selectie dichters waarvan u hopelijk het merendeel nog in deze podcast tegen gaat komen. Hoe ik me uiteindelijk over die vrees heen heb gezet hoort u in de aflevering.

Tijd dus om het over Starik te hebben, maar niet voor we een benaming hebben afgesproken. Starik was namelijk een man van vele namen, en werd door vrienden Frank genoemd, in zijn paspoort Frank von der Möhlen maar als dichter het liefst F. Starik, dat dan nog wel mocht worden afgekort tot kortweg Starik of kortweg Ef Punt. Hoewel Vrouwkje en ik aan het begin afspreken om hem Starik te noemen, kunnen we het natuurlijk niet laten om voortdurend over Frank te praten. Hij doet het er maar mee.

Vrouwkje bespreekt eerst een gedicht van Frank zelf, pardon, van Starik.

[Alleen dit gedicht luisteren? Luister dan hier.]

HOMMEL

Als je dood gaat moet je van de hele wereld afscheid nemen
en de wereld neemt afscheid van jou, nu ja, er zijn maar weinig
mensen op aarde die iedereen kent en ook zonder hen
zal de wereld gewoon doordraaien met 1 mensje minder erop

het is vaker vertoond – iedereen kan het en zal sterven.
Vanmiddag kwam er een late hommel mijn kamer ingevlogen
aangetrokken door zo’n bos bloemen die heel veel rommel geeft
en dan de rest van de middag niet meer weten hoe

je eenmaal volgezogen zwaar van nectar weer naar buiten schommelt
en terwijl ik dit schrijf ben je plotseling weg, is het je gelukt
onopgemerkt terug in de wereld te verdwijnen

of ben je achter een gordijn gestorven, lig je op een vensterbank
nog weken weg te kwijnen, te verstoffen, maar dat geeft niet
in het gedicht loop je goed af.

F.Starik, ongepubliceerd.

Het is een keurig sonnet, met een wending op de voorgeschreven plaats, en daarnaast is het tekenend voor de manier waarop Starik schreef over de dood. Volgens Vrouwkje had hij, anders dan de krant of de geschiedenis, aandacht voor de wat lulligere kant van doodgaan. Zomaar ineens, hè, is iemand er niet meer. Behalve tekenend voor zijn werk is dat ook tekenend voor zijn dood, vertelt Vrouwkje.

Daarna hebben we het nog over hoe dat nu eigenlijk is, leven met een schrijver. Hoewel dit gedicht niet zozeer over Vrouwkje gaat, is ze er toch in aanwezig. Ze herkent de bos bloemen die ze hem gaf en waar inderdaad enorm veel insecten op af kwamen. Je hebt die kennis niet nodig om het gedicht mooi te kunnen vinden, maar voor Vrouwkje (en nu dus ook een beetje voor ons) is het een extra dimensie die het gedicht nog meer waarde geeft.

Ook met het gedicht van haarzelf dat Vrouwkje mee heeft genomen blijven we bij ons in afwezigheid schitterende onderwerp. In een gedicht dat ik tot vervelens toe ‘meedogenloos’ blijf noemen, niet het harteloze maar het eerlijke soort, beschrijft Vrouwkje een preambule op Stariks uitvaart.

Er stonden misschien wel veertig paar schoenen in je kast.
Ik heb ze niet geteld, ik heb slechts gekeken tot ik een stel zag dat wel paste bij je uitvaartpak.
Je uitvaartpak: het pak waarmee je naar begrafenissen ging en dat je daarna, weer terug thuis, al in de gang weer uittrok.
Nu kleedden wij je aan.
Zo veel lagen: een luier waarvan de randjes frivool uit je onderbroek staken, een wit hemd
– Ik leer jullie een truc, zei een man. Je steekt je eigen armen door de mouwen, en die van hem de lucht in. Het hele ding glijdt omlaag, op zijn borst en dan hoef je alleen, doe het maar, zijn hoofd omhoog, de weke schouders komen mee, en klaar. –
daarna een overhemd, het allerwildste, dat desondanks gestreken moest.
Ik had een strijkbout mee maar geen plank, maar er was een kist en die was glad.
Een vest.
Is dat nodig?
Doe maar, doe dat vest, anders klopt het niet met het uitvaartpak.
Al die knoopjes, toen een broek, waar niet echt een truc voor is, behalve dan je handen goed stevig in de billen planten, en trekken
maar.
Een jasje.
Steek eerst je eigen armen, en dan de zijne, hoe vaak moesten we je nog door elkaar schudden, hoeveel knopen moeten van de etiquette dicht, in een kist?
De sokken.
Die met de doodshoofden erop.
Je had een hekel aan je tenen, die ik zo graag zag, en nu vergat ik vanwege de stroeve stof, de stijve linkervoet, de handen naast de mijne die zoveel sneller gingen met de rechtse, om te kijken.
Ik heb geen kinderen, zei ik, hoe trek je iemand schoenen aan, is er een truc?
Je schopte ze niet uit.

Vrouwkje Tuinman, ongepubliceerd.

Dat meedogenloos eerlijke, vertelt Vrouwkje, is niet zozeer iets dappers, maar gewoon de enige manier waarop ze dit kan, het rouwen zelf en het schrijven erover. Laat dit artikel dan de plek zijn waar ik dat een dappere manier van rouwen noem, want in de podcast gaat het daarna al gauw genoeg over wat er allemaal niét in het gedicht staat, de tranen, het snot dat daar bij komt kijken. Zo eerlijk en ongefilterd is het nou ook weer niet. En toch is het voor mij de onopgesmukte aardse feitelijkheid die dit gedicht zo aangrijpend maakt. De lulligheid die óók bij de dood hoort, en daarmee zijn we weer terug bij het werk van Starik zelf.

Tientallen gedichten heeft Vrouwkje geschreven over de afgelopen twee jaar, over Stariks ziekte, zijn overlijden en zijn overleden zijn. Er komt een bundel, die ik met vrees tegemoet zie, en tegelijk zo snel mogelijk wil lezen. Want als Vrouwkje dit alles dapper in de ogen kan kijken, dan kunnen wij het zéker. En dan ook nog in de vorm van doortastende, snijdende poëzie.

Het is een aparte aflevering van de Poëziepodcast geworden. Ik heb er veel stiltes uitgeknipt, en ook veel stiltes ingelaten. Meer dan eens zijn we afgedwaald en hebben we korte gesprekken gehouden over ons gesprek, of zeg ik dat ik niet weet wat ik moest zeggen. Dat hoefde dan ook niet, maar in een podcast is het altijd handig als er wél iets gezegd wordt, dus die gesprekjes zijn gesneuveld. Ik heb er eentje laten staan, zodat jullie ook een beetje het gevoel krijgen dat er iets aan de hand is met deze aflevering. Laten we in godsnaam niet doen alsof alles bij het oude is gebleven.