SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Atte Jongstra

Daan Doesborgh

De Poëziepodcast: Atte Jongstra

Daan Doesborgh

In mijn studententijd zat ik in de oprichtingsredactie van een blad. Het heet Absint en het bestaat nog steeds, en ik weet niet meer precies hoe het kwam maar een columnist van het eerste uur was Atte Jongstra, die voor elk nummer een citaat van een schrijver uitzocht dat verband hield met een thema. De eerste paar afleveringen was het thema ‘Schrijver en worst’, en leerden de lezers van Absint welke schrijvers zich zoal over worst hadden uitgelaten, maar de thema’s werden al snel diverser, en in het komende nummer van Absint leren we dus als het goed is iets over ‘Schrijver en God bewaar me’.

Maar dit is geen artikel over mijn werkzaamheden bij een studentenblad, maar een artikel over de Poëziepodcast, en het moge duidelijk zijn dat ik deze maand schrijver, essayist en worstkenner Atte Jongstra te gast heb.

Als eerste bespreken we, maar let goed op want het is zo voorbij, een gedicht van Herman Gorter. Het is een tweeregelig vers uit zijn legendarische bundel Verzen uit 1890, waar ook het beroemde gedicht ‘Zie je ik hou van je’ in voorkomt. Over dat gedicht heb ik het, al was dat niet zijn keuzegedicht, al met Alfred Schaffer gehad, maar over Gorter raak je niet snel uitgepraat.

Gij zijt het opene, het witte, ‘t willende
het wachtend, straalvlammend, lichtlillende.

Herman Gorter, uit: Verzen, 1890.

Voor een klein gedicht zit er veel in. Atte ontleedt het gedicht zorgvuldig, en toont precies aan hoe onvermoed complex deze regels zijn, twaalf woorden en toch een compleet gedicht, compleet met een wending, een neologisme en een prachtig metrum.

Daarna hebben we het, hoe kan het ook anders als je twee neerlandici aan een tafel zet, een poosje over die stormachtige beweging van Tachtig, die in de poëzie een aardverschuiving teweeg brachten die tegenwoordig nauwelijks nog mogelijk lijkt, juist dankzij de enorme bevrijding die zij aan de poëzie hebben gegeven met onder andere precies deze bundel, waarmee Gorter de ruiten van de klassieke poëzie compleet aan diggelen gooide, en maar goed ook.

En dan komt de Atte Jongstra naar voren die ik uit de pagina’s van Absint ken, de feitenmachine, niet bang om verbanden te leggen die op het eerste gezicht non-sequiturs lijken, en via het marxisme en Gorter als sportman belanden we bij Henri de Toulouse-Lautrec, de Franse schilder die beroemd werd met zijn zwierige affiches vol hoog opgetrokken jurken. Toulouse-Lautrec was een onooglijk en vies mannetje, die zich graag ophield aan de zelfkant van de samenleving, en die ooit een fotoserie maakte die Atte altijd is bijgebleven, waarin de schilder met een bolhoed op een drol draait op een uitgestorven strand. En net als ik me afvraag hoe we in godsnaam weer bij Gorter belanden zegt Atte dat hij in dat licht de gedichten van Gorter zo heerlijk fris gewassen vindt, en verdomd, dat zijn ze ook.

Nu ik dit artikel schrijf en er nog eens over nadenk is er nog een connectie met de drol van Toulouse-Lautrec, want in Atte Jongstra’s bundel waar we het daarna over gaan hebben speelt de stoelgang een prominente rol. Het is een bundel vol scatologisch geweld, of zoals Atte het zelf formuleert: “er zit nogal veel rectale symboliek in”.

Voor wie daar niet van houdt is het vast een verademing dat Atte, als was hij de frisgewassen cricketer Gorter, een gedicht uit die bundel heeft uitgekozen, het slotgedicht, dat niet bruin maar wit is. 

WIT

wit is de sneeuw, is het eiwit, wit is de dood niet.
wit zijn de karpers en de bloemen, wit zijn de
russen, wit is mooi, zijn de vissen loodwit: hom
en kuit van lood, wit is heel goed, zo menig wit.

zwart licht is wit, niet wit is de hemel. wit
is niet de dood, maar bleek en blak en stil.

Atte Jongstra, uit: Furunkel, Arbeiderspers 2018.

En er zijn meer overeenkomsten met het Gortergedicht. Hoewel toch al gauw drie keer zo lang is ook dit een kort gedicht, en ook dit gedicht komt aan het einde met een geheel nieuw woord op de proppen. Gorter maakte dankbaar gebruik van de ontvankelijkheid van het Nederlands voor samenstellingen door het woord ‘lichtlillende’ uit te vinden, Atte schuift juist bestaande woorden in elkaar, brak misschien, en bleek, of vlak, en bedenkt het woord ‘blak’. Of dat dacht ik tenminste, maar blak blijkt een echt-bestaand woord te zijn (open, effen, blakend), al leert het woordenboek van Wikipedia me dat het geen schande is dat ik dat niet wist, en dat het woord volgens onderzoek uit 2013 maar door 15% van de Nederlanders werd herkend.

Tot slot vraag ik nog aan Atte of hij deze bundel als zijn debuut beschouwt. Dat zit zo: eerder publiceerde hij diverse bundels poëzie, maar dat was onder het pseudoniem Arno Breekveld. Zoals ik al vermoedde moeten we de dichters Arno Breekveld en Atte Jongstra echt los van elkaar zien. Breekveld was schizofreen en is overleden, Atte is die beide dingen niet. Wel is hij de biograaf van Breekveld, wiens oeuvre dus echt apart staat van dat van de dichter die Furunkel schreef, al krijg ik Atte toch niet zo ver dat hij het volmondig zijn debuut noemt.

Toen de recorder eenmaal uit was en we zelfs alweer buiten op de stoep stonden hebben we nog een poosje doorgepraat, over Mulisch bijvoorbeeld, en het miskende meesterwerk Siegfried, maar dat is een gesprek dat maar voor een andere podcast bewaard moet worden. Dat, en ik heb het niet opgenomen, maar volgens mij gaan Atte en ik de volgende keer dat we samen aan een tafel zitten gewoon weer verder waar we gebleven waren.