SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Alfred Schaffer

Daan Doesborgh, Alfred Schaffer

De Poëziepodcast: Alfred Schaffer

Daan Doesborgh, Alfred Schaffer

Ik had het, dat geef ik eerlijk toe, niet zo gepland, maar de nieuwe aflevering van de Poëziepodcast is de perfecte overgang van het internationale uitstapje vorige maand naar de gewone gang van zaken. Mijn gast deze week, Alfred Schaffer, is weer gewoon een Nederlandse dichter, met wie ik in het Nederlands een lang gesprek voer. Maar tegelijk is hij ook volstrekt niet ‘gewoon een Nederlandse dichter’. Hij woont en werkt al jaren in Zuid-Afrika, en in die zin zijn er vooral veel parallellen tussen zijn beleving van poëzie en die van bijvoorbeeld Dolores Dorantes of Maria Stepanova uit de vorige aflevering.

Zelf zegt hij het ook, als het gaat om het verwerken van engagement in een gedicht. Op een natuurlijke, niet-demonstratieve manier over maatschappelijke problemen schrijven gaat makkelijker in landen waar die problemen meer in het oog springen. Alsof we het af hadden gesproken (wederom, dat hadden we niet) noemt hij als voorbeelden het leven in Mexico, de VS, Rusland, alle drie landen die door dichters zijn vertegenwoordigd in de vorige aflevering, waarin zij ook te spreken komen over hoe de problematische situatie in hun thuisland zich verhoudt tot hun dichterschap.

Maar terug naar Alfred Schaffer. Ik had last van mijn keel dus ik ben nog heser dan gewoonlijk, en theedrinkend zitten we dan ook in de Kleine Zaal van Splendor (veel geklok van thee in kelen en gerinkel van lepeltjes in kopjes), waar het me gelukt is om Alfred een uurtje te mogen stelen tijdens de paar dagen dat hij in Nederland is. We bespreken een gedicht van de Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé. Het gedicht staat hieronder in het originele Afrikaans, maar dat kunt u best lezen, zeker met de prachtige, heldere voordracht van Alfred erbij.

 

Twee diewe

Alles wat aan my behoort, het ek dié dag verloor.
Besteel, rot en kaal, totaal onverwags.
Deur twee vreemdelinge, ‘n jong vrou en ‘n dogtertjie.
Die buurt is gewaarsku oor hierdie nuwe taktiek.
Hulle gebruik onskuldiges, en oorval jou dan van agter.
Ek het die sagte geklop aan my voordeur gehoor.
Soos ‘n besoeking van oorkant die groot skeidslyn.
‘n Toets natuurlik, of iemand tuis is of nie.
Ek het geluister vir die breekysters, ‘n broodmes in my hand.
Tot die kristalsakrament, die gelag, verdwyn het.
In ‘n fladdering, soos twee duiwe wat uit ‘n sysak ontsnap.
Maar ek het op my hoede gebly. Dis wat ek nie verstaan nie.
Ek’t die waarskuwing ernstig opgeneem. Ek het geweet hulle sal terugkom.
Maar dit alles het my nie gevrywaar teen die bedrog nie.
Ek het die deur oopgemaak, mes agter die rug.
Hulle het amper moed opgegee, het die vrou gesê.
Haar dogter wil graag ‘n blaar van my boom hê, omdat dit silwer is.
Ek het verby hulle gespeur, vir die gevaar
wat agter skuil, die rede vir die lokval.
Hulle was brandarm, maar ryklik gekroon met hul glimlagte.
Vra God vir ‘n blaar, dis sy boom, sê ek nors.
‘n Ander man wou ons skiet, het die kind trots gesê,
salig onbewus dat sy dan dood sou wees.
Ek het gekyk hoe hulle wegstap, geklee in hul klanke.
Moeder en dogter. Met hul blaar, hulle wonderwerkie.
Niemand het my aangeval nie. Niks meer het gebeur nie.
Daardie twee diewe het my kaal gestroop.

Charl-Pierre Naudé, uit: In die geheim van die dag, Protea 2005.

 

Wie dit gedicht leest begrijpt meteen waarom we, zoals ik hierboven al verklapte, een gesprek hadden over het op natuurlijke wijze verwerken van maatschappelijke problemen in een gedicht, zonder dat het demonstratief of prekerig wordt. In dit gedicht, een parabel bijna, weet Naudé met ragfijne subtiliteit een verhaal te vertellen over rijk en arm, geweld, onschuld en achterdocht dat tegelijk specifiek weet te zijn over het Zuid-Afrika anno nu, en iets algemeens kan zeggen over de mensheid en de menselijkheid.

Mij deed het gedicht ook denken aan een fenomeen dat Naudé waarschijnlijk niet kent, namelijk de bezorgde burgers die in hun nette Vinexwijk een Poolse auto hebben gezien en meteen op Facebook hangen op een op handen zijnde inbraakgolf te voorspellen. Gelukkig mag dat in poëzie: er zelf betekenis aanhangen die de schrijver nooit bedoeld kan hebben, maar die je er tóch in herkend hebt.

Over het herkennen van betekenis die wel of niet door de schrijver is toegevoegd gaan we nog een heel stuk de diepte in als we het over Alfreds eigen gedicht gaan hebben. In 2016 verscheen zijn laatste bundeling nieuw werk, het bibliofiele Postuum. Een lofzang. Uit die bundel leest Alfred het volgende gedicht:

 

*

een lege trein.
op weg naar het rangeerterrein.

een uitgebrande trein
op een zijspoor.

intimiderend staatseigendom bij nacht.

of neem de mensheid.
uitgeroeid door een bovenmenselijke intelligentie.

en weer in het leven geroepen.
door een eenling
die geen fratsen accepteert.

te dwingen iets te doen, iets niet
te doen of te dulden.

wat verlang ik naar dat iets.

als een hondje dat onvermoeid
in het gareel blijft lopen.

nee, dat kun je niet zingen.

ook ik niet
met mijn zwarte stem.

Alfred Schaffer, uit: Postuum. Een lofzang, Slibreeks 2016.

 

Alfred vertelt dat hij dit gedicht als een soort zelfportret ziet, maar dan wel een met een prominente rol voor wat er in zijn ogen onzegbaar is over zichzelf. De betekenis wordt door het gedicht op cruciale punten nét buiten het bereik van de lezer gehouden, maar in die zin ook voor Alfred zelf. We wisselen anekdotes uit over gedichten, ik heb het zelf ooit meegemaakt, die achteraf ineens informatie blijken te bevatten die de dichter op het moment van schrijven nog niet wist. Wie dat een al te esoterische opvatting vindt moet maar even zijn oren dicht houden als ik even later stel dat gedichten in feite een soort dromen zijn, maar ik vond het een mooi slotakkoord voor ons gesprek dat we eventjes en functioneel esoterisch konden zijn. Bovendien, in de aflevering met Tonnus Oosterhoff werd al vastgesteld dat het bovennatuurlijke deze podcast beduidend welgezind is. Gelukkig bereiken we ook nog wel het relativerende punt waarop Alfred zegt dat hij zich heel goed voor kan stellen dat buitenstaanders verzuchten: ‘Waar máken die mensen zich druk om?’

In augustus ben ik met de Poëziepodcast live op het onvolprezen (en gratis) festival Zomerparkfeest in Venlo te bewonderen. U kunt de opname van de volgende aflevering bijwonen op 9 augustus aanstaande, in Venlo dus, en gratis dus. Mijn gast is dan Emma Crebolder. Mocht u er niet voor kiezen naar Venlo af te reizen bereikt mijn gesprek met Emma u eind augustus ook weer gewoon via de gebruikelijke kanalen.