SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Mark Boog

De Poëziepodcast: Mark Boog

Het jaar nadert zijn onvermijdelijke einde, en voor deze reeks geldt hetzelfde: u leest het laatste Poëziepodcastartikel op de site van Vrij Nederland. Tenzij u dit artikel leest op de site van de SLAA, dan leest u het laatste Poëziepodcastartikel ooit, want met ingang van januari verschijnen er wel nog maandelijkse afleveringen, maar geen artikelen meer. Met klachten hierover kunt u terecht bij ons mailadres, dat ik hier niet voluit ga schrijven omdat ik dan heel veel spam krijg. U zet gewoon achter de naam poeziepodcast de uitgang van die bekende mailprovider van Google en dan wordt uw klacht in behandeling genomen.

Over tot de orde van de dag: op een koude decemberdag maakte ik de reis naar het verre Nieuwegein, waar Mark Boog woont, de auteur van diverse dichtbundels en romans, winnaar van de prestigieuze C. Buddingh’-Prijs en de prestigieuzere VSB Poëzieprijs. Deze maand verscheen zijn nieuwe bundel, Liefde in tijden van brand, een uitstekende gelegenheid om hem uit te nodigen voor de Poëziepodcast.

Mark koos net als Ilja Leonard Pfeijffer voor een bundel die hem als jonge dichter erg geraakt heeft, en vervolgens is bijgebleven: Klem van Kees Ouwens. Daaruit leest hij het gedicht ‘Praxis’. Sinds ik weet hoe weinig behoefte er aan deze artikelen is kost het me enorm veel moeite om achter de rechten van die gedichten aan te gaan, want het is enerverend werk en ik doe het voor niemand, dus opnieuw zult u het met een link moeten doen: lees hier het gedicht van Kees Ouwens.

Zoals zo vaak in de gedichten van Kees Ouwens komen de zinnen soms onafgemaakt of onderbroken over, iets wat je als dichter enorm zorgvuldig moet componeren om niet als een warrige dwaas over te komen. Ouwens slaagt er uitstekend in om die air van achteloosheid of verstrooidheid te handhaven, zonder dat de virtuoze compositie door het gedicht heen schemert. Zoals Ilja van Lucebert leerde dat er veel meer mag in een gedicht dan hij aanvankelijk dacht, zo leerde Mark van Kees Ouwens dat ook de dingen die je eigenlijk niet mag doen in een gedicht, toch kunnen als je het goed aanpakt. In het geval van Mark leidde dat tot De encyclopedie van de grote woorden, een bundel waarin al die woorden centraal staan die je eigenlijk niet in een gedicht mag gebruiken. Die bundel leidde weer tot de VSB Poëzieprijs, dus je kan inderdaad maar beter maling hebben aan de regels, dan kom je nog eens ergens. Máár, voegt Mark daaraan toe, wel alleen als je de regels eerst grondig hebt leren kennen. Pas dan kan je ze, heel bewust en zorgvuldig, aan je laars lappen.

Over naar de nieuwe bundel van Mark, Liefde in tijden van brand, nu in de betere boekhandel. Hij leest het lange, titelloze gedicht dat in het hart van de bundel staat:

Op de glorieuze wereld staat
de glorieuze hemel, leeg en blauw.
Een blauw zo bleek, zo licht

dat het wel waar móet zijn:
dit is begin. Brandhaarden overal
zijn bagatellen, oprispingen van einde.

In ieders verzet schuilt verongelijktheid
en hoop. Het is niet goed zoals het is,
noch is er meer aan de hand dan ooit.

Op de grond de lucht.
Op de koude grond de winter,
waarmee het jaar begint.

Je zit naast me. We bewegen
zonder te bewegen. De lege weg.
De lege, rechte weg. De richting.

Het raam dat de lucht is met de witte vegen:
vingers van nieuwsgierige kinderen
of die werden buitengesloten.

Kleine vogels die zich te pletter vliegen,
door grotere achtervolgd of bang
voor niets, er is in dit land niets

om bang voor te zijn. Op de weg
naar de hoofdstad staat de hoge lucht.
De lucht is leeg, de lucht is begin.

Op het koude veld liggen lichamen,
inmiddels zwijgende lichamen.
Ze liggen op hun rug.

Ze kijken met dode ogen naar de hemel,
naar geen enkele ster
sterker dan het bleke blauw.

Zover de gedachten reiken
lijven op bevroren akkers,
zover de gedachten reiken

op de grond en in de grond de lijven
en de ogen, de handen die nog… nee,
ze liggen stil naast de lichamen op het veld,

onder het veld, de mensen zijn een stapel
die is omgevallen. Op de grond
de lucht, de glorieuze lucht, rechtop.

De dode hond die leefde.
De dode vogel die vloog.
De dode wereld die niet dood was.

Vingers verschijnen aan de blanco hemel,
aan het begin, en wijzen
in elke oorlog winnaars aan.

Prijzen worden verdeeld, afval
wordt opgeruimd en hergebruikt
in een eindeloze reeks verhalen,

steeds de verhalen.
Op de glorieuze wereld
de glorieuze hemel.

De weg ligt in het midden.
De auto volgt de weg.
Jij zit links, ik zit rechts.

Naast ons en in ons en om ons en boven ons
en voor en achter ons de vele dieren
en de vele mensen en alles wat we vergaten.

Brandhaarden in de verre verte en om
de verre hoek. Het veld nog leeg.
Er siddert al, heel diep, een volgende oogst,

een lente. Blanco velden, blanco hemels,
blanco breinen, ieders dode ogen
kijken ieders dode luchten in,

en alles ademt.

Mark Boog, uit: Liefde in tijden van brand, uitgeverij Cossee, 2019.

Ik wilde Mark vertellen dat ik het gedicht zo mooi representatief vond voor de toon van de hele bundel, toen ik me herinnerde dat hij me gemaild had dat hij dit gedicht wilde lezen, ondanks dat hij het niet zo representatief vond voor de rest van de bundel. In de podcast komen we tot de conclusie dat Mark het over de vorm had, die inderdaad sterk afwijkt van de korte gedichten zonder witregels die de rest van de bundel vormen. Ik had het daarentegen over de inhoud, en die was Mark naar eigen zeggen ‘even vergeten’. We zijn het uiteindelijk ook daarover eens: ja, dit gedicht laat wel zien wat de lezer in Liefde in tijden van brand kan verwachten: mensen die in kamertjes een leven leiden en elkaar liefhebben, de verwondering daarover, en de wereld er omheen die doodgemoedereerd in brand staat.

Mark spreekt zijn verbazing uit over het feit dat er achter de muur van zijn woonkamer nog zo’n identieke woonkamer zit, maar dat de mensen die daar wonen fundamenteel anders zijn: het zijn buren, en wijzelf zijn geen buren. Hij vindt een torenflat een fascinerend object: zo’n opeenstapeling van rotswoningen waarin je dan al die woonkamers ziet zitten die mensen voor zichzelf hebben ingericht. Het contrast tussen die geborgenheid en het razen van een wereld die in brand staat daar omheen, dat is het thema van deze bundel, en eigenlijk ook het thema van deze tijd. Het ideale gedicht dus om het nieuwe decennium mee in te gaan.

Alleen niet helemaal, want ik heb nog een kerstcadeau voor alle luisteraars van deze podcast. Op 23 december, aan de vooravond van Kerst, zet ik een bonusaflevering online: de Poëziepodcast-kerstspecial! Ik heb maar liefst twaalf dichters en schrijvers te gast, of beter gezegd, ik ga bij ze op bezoek met een grote thermosfles vol glühwein. Er komen oude bekenden van de podcast voorbij, maar ook stemmen die u hier nog nooit hebt gehoord. Van grote namen tot grote talenten, en met iedereen drinken we een glaasje. Ideaal om zo’n lange treinreis tussen twee kerstdiners door te komen.

Dan rest mij tot slot nog een woord van dank aan alle mensen bij Vrij Nederland die deze podcast de afgelopen drie jaar ondersteund hebben. Ik ben enorm blij dat ik dit project op heb kunnen starten, en heel trots op wat het geworden is, en Vrij Nederland heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. Onder de barmhartige paraplu van de SLAA gaat deze podcast voorwaarts, en ik kan wel verklappen dat ook de lezers van Vrij Nederland nog niet van mij af zijn. Maar deze reeks artikelen eindigt hier. Alvast fijne feestdagen en een gelukkig nieuwjaar, en hou Spotify, iTunes of Soundcloud in de gaten voor nieuwe afleveringen in de jaren ‘20.