SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Ilja Leonard Pfeijffer

De Poëziepodcast: Ilja Leonard Pfeijffer

Mijn liefde voor opnames van dichters die uit eigen werk voordragen is misschien wel begonnen bij Ilja Leonard Pfeijffer. Zo’n vijftien jaar geleden vond ik op wat toen nog voor het internet door moest gaan een opname van zijn gedicht ‘Academia’, tegelijk een dromerige ode aan en vurige aanklacht tegen de Leidse universiteit. Een sonore voordracht met ongegeneerd veel pathos. Iets dergelijks kunt u deze maand in de Poëziepodcast verwachten.

Ik reisde namelijk af naar het verre… Leiden helaas, en niet Genua, om daar Ilja te interviewen. Dat plan had ik al een tijdje, maar Ilja is niet vaak in Nederland en ik heb nooit geld om naar Italië te komen, en zodoende is het pas in aflevering 41 dat we samen aan tafel zitten.

Ilja heeft een gedicht gekozen dat naar eigen zeggen van grote betekenis voor hem in geweest aan het begin van zijn dichterlijke loopbaan: ‘Aan Lesbia’ van Lucebert. Dat kunt u hier niet lezen, omdat ik de rechten nog niet heb geregeld, maar wel hier.

Toen de jonge Ilja met het werk van Lucebert in aanraking kwam ontdekte hij voor het eerst dat poëzie geen regels heeft, dat je schaamteloos de muzikaliteit van de taal kunt omarmen. Het leverde hem de vrijheid op die leidde tot zijn debuutbundel, Van de vierkante man, die volgens Ilja duidelijk schatplichtig is aan het werk van Lucebert. Nu, vijf bundels later (zes als je de bundel duetten met Erik Jan Harmens meetelt, acht als je ook de twee Poëziegeschenken meeneemt) valt het Ilja vooral op wat een ijzersterk gedicht het toch is, iets dat je soms inderdaad vergeet bij van die iconische gedichten die je altijd met je meedraagt. Leuk dat je ‘November’ van Bloem zo lekker op kan ratelen (je moet eigenlijk na ‘het regent en het is november’ ophouden, want de volgende adempauze komt pas na ‘weer keert het najaar en belaagt het hart dat droef maar steeds gewender zijn heimelijke pijnen draagt’), maar je zou bijna vergeten dat het hele ding verdomd goed in elkaar zit. Er zijn meer mensen die de woorden ‘meepse barg’ kennen, dan dat er mensen zijn die uit kunnen leggen wat er zo goed is aan ‘Aan Lesbia’, wil ik maar zeggen. Ilja kan het wel, luistert u maar.

Vervolgens wenden we ons tot de bundel Idyllen uit 2015 (in de aflevering zeg ik geloof ik 2013), de meest recente solobundel van Ilja, die werd bekroond met de Awater Poëzieprijs, de Jan Campertprijs en natuurlijk de prins der poëzieprijzen, de VSB poëzieprijs zaliger. Ilja wil een gedicht uit deze bundel lezen maar weet nog niet welke, heeft wel twee kandidaten in zijn hoofd, en laat één van die twee kandidaten nu net mijn favoriete Ilja Leonard Pfeijffer zijn, naast mijn oude liefde ‘Academia’ natuurlijk. Dus tot mijn grote genoegen leest Ilja de zestiende idylle:

16

Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen,
voordat je met een cynisch fronsje het beleg en
beschietingen beëindigde, je haar opstak,
de tasjes samenpropte in een plastic zak,
het bandje van je hemdje op je schouder hees,
de halve rekening voldeed, een vlek aanwees
op mijn colbertje, met een zucht de aftocht blies
in ongebutst kuras, als een verkilde bries
voorbijgleed, mij als radeloos ontvolkt gehucht
kapotgeschoten achterliet, met nog een zucht
nog één keer naar me keek als naar een zielig ding,
je wenkbrauw optrok, klakte met je tong en ging,
was niet ‘ik houd van jou’. Dat had ik al gezegd.
Er wordt een zingend hoofd uit blubber opgedregd.
Een vette paling kruipt uit een van beide oren,
want wie niet voelen wil, die moet maar weer eens horen.
En wat het zingt, hoor ik dat vrouwenhanden zijn
die zinderend als groene dromen, zacht als pijn,
het bleke lijf uit vel en zwarte kleren rukken
als groupies die waanzinnig aan de sterren plukken.
Het is een simpel lied van stukgeschoten woorden
op steeds dezelfde drie ontploffende akkoorden.
Geloof en hoop en liefde. Steeds weer deze drie
die alle drie precies hetzelfde klinken.Wie
zijn wezen uitbesteedt, verzint een ander wezen.
En ieder die bestaat, wil van bestaan genezen.
Dus schep je een geliefde naar je eigen beeld
en zorg je dat ze daarop lijken gaat. Je veelt
het ondermaanse als haar eredienst en bidt
omdat het om het bidden was te doen. En dit
heet dan geluk. Het is projectie van gemis
op iemand die voornamelijk een ander is.
Tot zover hebben dieren ademloos geluisterd.
De drukke vogels zitten aan het scherm gekluisterd.
De aap zit met zijn neus tegen het glas gedrukt.
Geen leeuw die nu nog geeuwt. En de giraffe bukt
om in de circustent de stenen te zien zweven.
En ik tik op de microfoon. ‘Dus. Heeft u even?
Er is…’ Ik kuch. ‘Er is een lied dat komt en gaat
dat wie zijn hart… pardon… verliest, zijn vrijheid laat.
Ik ben de speelman dankbaar dat ik dat lied ken.
Ik ben mij evengoed als ik mezelf niet ben.’
Geen vleugel klappert. Klauwtjes gaan niet op elkaar.
Als zelfs de dieren stil zijn, is dat een gebaar.
De geur van blonde prooi daalt neer in de vallei
als duisternis en ik krijg jeuk aan mijn gewei.
Als jij me zoekt, lig ik onder de maretak
te tellen hoeveel blonde polsjes ik ooit brak
totdat de furieuze groene dromen komen
van bloedhonden die grommen achter jonge bomen
in pisgeel bos.Want wat ik jou nog zeggen wou
voordat je as afklopte van mijn vette mouw,
hoofdschuddend zuchtte dat ik zo romantisch was,
je fietssleutels dan toch kon vinden in je tas,
die al bij voorbaat volgepropt was met verwijten,
verrotte vis, pleidooien, glimlach en de feiten,
nog één keer naar me keek als naar een soort van ding,
op tien gelakte teentjes roze deed en ging,
is ‘sorry’. Ik voldoe niet aan je beeld van mij.
Je wilt me niet. Je wilt wie beter lijkt op mij.
Rivieren kraken. Jij hebt mij verkeerd verzonnen.
Stroomopwaarts springen zalmen naar de blinde zonnen
de netten in van luie vissers met hun koppen
van pruimtabak en crêpepapier die dochters schoppen
en binnenkort op zee bij donkergroene mist
een zingend hoofdje zullen hebben opgevist.

Ilja Leonard Pfeijffer, uit: Idyllen, De Arbeiderspers 2015.

In een eerdere aflevering, toevallig de andere aflevering waarin mijn gast een gedicht van Lucebert koos, heb ik de openingsregels van dit gedicht al eens aangehaald. Ik ben een fan van hele lange zinnen in gedichten, net als mijn gast toen, Krijn Peter Hesselink, en de eerste zin in deze zestiende idylle omspant maar liefst 12,5 regels, en dan hebben we het niet over die korte vierwoordenregeltjes uit ‘Aan Lesbia’, maar kloeke alexandrijnen. Want ook dat is opvallend aan dit gedicht, en alle gedichten in Idyllen: ze rijmen AA-BB-CC etc., een rijmpatroon dat je tegenwoordig eigenlijk alleen nog rond deze tijd van het jaar hoort, en dan niet uit de onderlegde mond van iemand als Ilja. Bovendien zijn ze in een keurig metrum gegoten. Ilja legt uit dat hij het een uitdaging vond om, na met dank aan Lucebert met volle teugen van het vrije vers te hebben genoten, wat hij wilde zeggen weer eens in een strakke vorm te gieten.

Hij doet dat ook in de sonnetten over de actualiteit die hij voor nrc schrijft. Onlangs nog stelde hij zichzelf voor de uitdaging om het oeverloze gebazel van Donald Trump tot een sonnet om te werken. Met succes, als u het mij vraagt. Toch schrijft Ilja (natuurlijk) liever werk waarin hij zichzelf de vrije hand kan geven, en mooie verwijzingen naar Nijhoff en Chomsky in kan bouwen, of een onbedoelde verwijzing naar onderstaande (onsmakelijke) scène uit Die Blechtrommel:

https://www.youtube.com/watch?v=ULls1uMwzEE

Tot slot nog een mededeling van huishoudelijke aard: met ingang van 2020 gaat de Poëziepodcast verder zonder de samenwerking met Vrij Nederland, en houdt deze reeks artikelen op te bestaan. De podcast gaat echter gewoon door, en staat gratis op Spotify, iTunes en alle andere plekken waar podcasts te vinden zijn. Zegt u dat allemaal niets, dan kunt u ook gewoon deze pagina in de gaten houden, waarop als bij toverslag elke maand een nieuwe aflevering verschijnt. In december zal ik nog een allerlaatste keer een aflevering op vertrouwde wijze kort door de bocht samenvatten op de site van Vrij Nederland, mijn gast is dan Mark Boog.