SLAA

SLAA

De Poëziepodcast: Krijn Peter Hesselink

De Poëziepodcast: Krijn Peter Hesselink

Dichters zijn, tenzij ze het soort functie hebben waarbij je geacht wordt meteen op de actualiteit te reageren, doorgaans vrij bedachtzame mensen. Een écht goed gedicht over iets wat je aan het hart gaat kan je ook pas schrijven als je een tijdje op het onderwerp hebt lopen kauwen.

Zodoende vind ik het wel toepasselijk dat ik in deze aflevering van De Poëziepodcast, bijna twee maanden na het verschijnen van Wim Hazeus Lucebertbiografie, eindelijk het onderwerp bij de horens vat waar de dichterswereld sinds februari moeilijk kijkend op aan het kauwen is. Hazeu ontdekte brieven waaruit ondubbelzinnig bleek dat Lucebert, voor de meeste dichters van vandaag toch een poëticaal vaderfiguur, een overtuigd aanhanger was van het nazisme tijdens zijn verblijf in Duitsland in 1943 en ’44. Het is toeval dat in de 21 afleveringen die ik tot dusver maakte nog nooit een gedicht van Lucebert is gesproken, maar het is ook wel mooi dat we het nu doen, ná Hazeus onthulling, en met voldoende tijd ertussen om er rustig over te kunnen praten.

Dat rustig praten doe ik deze maand met Krijn Peter Hesselink. In 2006 werd hij Nederlands kampioen poetry slam en daarmee is hij alweer de zesde slamkampioen in deze podcast, na Ellen DeckwitzCarmien MichelsDaniël VisKira Wuck en uw nederige presentator. Bovendien verscheen deze maand alweer zijn zesde bundel, Toondoof. Aan de titel van die bundel ligt een anekdote ten grondslag waar ik nog een rol in heb gespeeld, maar dat verhaal moet u maar op Krijn Peters site lezen, in deze podcast hebben we het druk genoeg met de twee gedichten die mijn gast heeft meegenomen.

Het eerste daarvan is dus zoals gezegd van Lucebert, uit Apocrief, een van zijn vroegste bundels.

door die groene of moede
musici al vroeg heen en
weer gegaan hoog veel
maar ook vaak laag
lig ik naast mij het krijgshaftig
najaarsweer nu neerslachtig
en wens niet meer dan
mij volstrekt eenzelvig
te bedelven onder mijzelf

Lucebert, uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij 2018.

In de nasleep van de onthulling over Luceberts opvattingen werd er links en rechts al snel geroepen dat deze veranderde blik op zijn persoon niet per se tot een veranderde blik op zijn werk hoefde te leiden: Lucebert was een slechter mens dan we dachten, maar daarom nog geen slechtere dichter. Krijn Peter haalt Lucebertkenner Jan Oegema aan, die in De Groene Amsterdammer schreef dat Lucebert bij uitstek een dichter was die vond dat werk en persoon onlosmakelijk waren. Ik vind zelf ook dat de poëzie van Lucebert wel degelijk anders wordt in het licht van dit nieuws, alleen betekent anders hier intrigerender, schrijnender, maar zeker niet slechter.

Het is een fraai staaltje taalbeheersing, dit gedicht. Een lange zin die van klank naar klank stuitert als een goede jazzsolo. Krijn Peter en ik bekennen allebei fan te zijn van enorm lange zinnen in gedichten, een bekentenis die me doet denken aan een gedicht van Ilja Leonard Pfeijffer, dat als volgt opent:

Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen,
voordat je met een cynisch fronsje het beleg en
beschietingen beëindigde, je haar opstak,
de tasjes samenpropte in een plastic zak,
het bandje van je hemdje op je schouder hees,
de halve rekening voldeed, een vlek aanwees
op mijn colbertje, met een zucht de aftocht blies
in ongebutst kuras, als een verkilde bries
voorbijgleed, mij als radeloos ontvolkt gehucht
kapotgeschoten achterliet, met nog een zucht
nog één keer naar me keek als naar een zielig ding,
je wenkbrauw optrok, klakte met je tong en ging,
was niet ‘ik houd van jou’. Dat had ik al gezegd.

Het is een magistrale tangconstructie, een zin waarin blijkbaar zoveel gezegd moet worden dat de zin tot barstens toe wordt opgerekt. Zonder te willen zeggen dat het gedicht van Ilja iets tekortkomt (het is een van mijn favoriete gedichten) bereikt het gedicht van Lucebert in veel minder ruimte hetzelfde: binnen één enkele zin gaat voor de lezer een wereld open.

Uit dit gedicht, uit de sympathie voor het nazisme en uit de door Lucebert uitgesproken wereldvreemde wens om bij thuiskomst in 1944 (!) een beurs te ontvangen zodat hij zich als kunstenaar zou kunnen blijven ontwikkelen, komt Lucebert volgens Krijn Peter naar voren als een naar binnen gerichte man, iemand met vooral veel aandacht voor zichzelf en daardoor minder voor de wereld om hem heen, de absurditeit van zo’n beurs in zo’n tijd, de gruweldaden van de nazi’s. Het is geen excuus maar een uitleg. Bovendien is het een uitstekend bruggetje naar het gedicht van Krijn Peter, een stukken beter bruggetje ook dan de afschuwelijke poging die ik in het begin van ons gesprek doe om over Lucebert te beginnen.

Man van God

De muren die ik als mijn huid verkies
zijn stevig als je ingevallen wangen
nu je tot hier je kruis hebt meegesleept
en buiten eindeloos blijft weifelen
of je wel aan mag kloppen

als ik mijn oor tegen de stenen leg
hoor ik het suizen van je ademhaling
als ik mijn ogen sluit zie ik in jou
het kind dat wachtte voor de deur waarachter
mijn vader zat te denken

ik wist wat me te doen stond, eerst aankloppen
dan op de drempel zeggen wat ik wilde
de blokkendoos, waarmee ik zijn werkkamer
straks na zou bouwen om die tempel dan
met vaste hand van God in puin te slaan

Krijn Peter Hesselink, uit: Toondoof, Podium 2018.

In dit gedicht schrijft hij over de Utrechtse kluizenares Suster Bertken, die zevenenvijftig jaar ingemetseld in een cel doorbracht. Maar hij schrijft ook, of eigenlijk vooral over zijn vader, een klassieke bèta die zich graag opsluit in zijn studeerkamer om over moeilijke kwesties na te denken. Voor het kind en later de puber Krijn Peter was dat vaak moeilijk te begrijpen, maar inmiddels heeft hij zich ermee verzoend, en zelfs heel wat van die houding in zijn eigen karakter herkend. Het is ook helemaal niet erg om soms kluizenaarachtige trekjes te vertonen en wat naar binnen gekeerd te zijn, zolang je het maar niet overdrijft en per ongeluk een volkerenmoord goedkeurt.

De opdracht om iets over Suster Bertken te maken kwam van het Literatuurhuis, en is een mooie aanleiding om het eens te hebben over hoe je nou eigenlijk een gedicht in opdracht schrijft. Het komt neer op inlezen en dan heel veel door het park wandelen. Gelukkig zijn dat uren die je gewoon kan declareren als onderdeel van het schrijfproces.

Eind mei is er weer een aflevering van De Poëziepodcast, maar eind mei en begin juni vindt ook het befaamde poëziefestival Poetry International plaats in Rotterdam. Ik ben aanwezig met mijn opnameapparaat om een aantal dichters uit het festivalprogramma te interviewen. In juni kunt u rekenen op een extra lange aflevering van deze podcast met extra veel internationale poëzie.