SLAA

SLAA

Rob Waumans: Precies zes weken voor mijn 35e verjaardag

Rob Waumans

Rob Waumans: Precies zes weken voor mijn 35e verjaardag

Rob Waumans

Precies zes weken voor míjn 35e verjaardag

Precies zes weken voor míjn 35e verjaardag bonsde ik op de zijdeur van de Stadsschouwburg. Het was bijna windstil, niet echt koud, maar ook zeker niet warm. De beveiliger vroeg naar mijn naam, ging met zijn linker wijsvinger langs de lijst, knikte en stapte uitnodigend opzij. Ik glipte langs hem de trap op. Niks geen rode loper, nergens fotografen. Dit was mijn entree van het Boekenbal. De entree der ego-lozen. Hier geen ijdele poses, opgesmukte kapsels en flatteuze jurken, maar de kille artiesteningang, met een stalen trap, duistere gangen, zwarte wandgordijnen. Trap op, nog een trap op. In de verte klonk het geluid van het voorprogramma. Naar links, het geluid klonk dichterbij. Toen naar rechts, door een deur: muisstil. En zo dwaalde ik een tijdje als een kip zonder kop door de catacomben van het Stadsschouwburg. 

De opdracht van die avond was eenvoudig: Renske de Greef en ik zouden met onze ukeleles een lied ten gehore brengen in het damestoilet op de 1e verdieping van de Stadsschouwburg. Een paar maanden daarvoor hadden we ‘Dream a little Dream of Me’ ten gehore gebracht, ook met onze ukeleles, maar toen gewoon op een podium, tijdens een avond van 5Kwarts in de Melkweg. Nu dus op het damestoilet. De plek van ontlasting en heimelijke gesprekken. De plek van overbelichte spiegelbeelden en onsmakelijke geuren. Althans, zo stelde ik het me voor.  

Na een half uurtje paniekerig dwalen kwam ik uiteindelijk bij de afgesproken verzamelplaats van SLAA terecht. De directrice van de organisatie drukte zwijgend een lauw biertje in mijn handen. Het was warm, druk, ik was onrustig, wilde overal tegelijk zijn. Iedereen die op het Boekenbal is geweest weet het: In de eerste uren is het chaos, het wordt pas leuk als de tent bijna gaat sluiten. Maar langzaam kwam ik in mijn ritme. Ik sprak collega’s, deelde biertjes uit en telkens als ik Özcan Akyol passeerde, sloeg ik hem op zijn billen, waarop hij heel boos ‘Vieze homo!’ schreeuwde. Eigenaardig homofoob gedrag voor iemand die de hele avond amoureus was verstrengeld met Mai Spijkers. Maar goed, ik had het ontzettend naar mijn zin en in alle drukte was de tijd was mij min of meer ontschoten. Ineens stond de directrice van SLAA voor mijn neus. Zonder een woord te zeggen duwde ze mij voor zich uit door de hal, de trap af. Vlak voor het toilet drukte ze de ukelele in mijn handen.  

‘Spelen,’ siste ze mij toe en gaf me een zet door de deur, het damestoilet in. Struikelend viel ik de andere wereld binnen. Het was hier anders dan ik had verwacht. Er hing een zoete geur. De dames stonden netjes in een rij op hun beurt te wachten. Nelleke Noordervliet keuvelde wat met Saskia Noort en daar stond Connie Palmen onder de handdroger stiekem een sigaretje te roken met Franca Treur. Wat een gezelligheid. Hanna Bervoets kwam uit een toilethokje en hield charmant de deur open voor Renate Dorrestein. Er hing, kortom, gewoon een lekker sfeertje. Anders dan bij de mannen kan ik wel zeggen. De plek waar ik Jan van Mersbergen en Kluun ineens als verliefde aapjes om elkaars nek zag hangen. Waar Philip Huff tegen iedereen liep te schreeuwen dat-ie in New York woonde en waar Anton Dautzenberg steevast met de deur open zat te schijten, voor het schokeffect. Het mannentoilet op het Boekenbal is als een slechte shoarmazaak na cafébezoek: je haast je ernaartoe, maar als je klaar bent voel je je vies en wil je er zo snel mogelijk weer weg.  

Daar stond ik dan, een indringer in een wereld die de mijne niet was en de mijne nooit zou worden. Toen ik alle indrukken had verwerkt, zag ik Renske staan. Ze stond al gereed, haar ranke vingers klaar op het E-akkoord. We knikten elkaar zakelijk toe en ik posteerde mij naast haar. Ik probeerde neuriënd mijn zangstem te peilen en produceerde een vreemd, grommend geluid dat tegen de spiegels en wandtegels kletterde. De combinatie van euforie en ongemak die zich van mij meester had gemaakt, zorgde voor een vreemde druk op mijn stembanden. De hitte, de verlammende aanwezigheid van al die vrouwen en de alcohol. Wie had dit bedacht? Wie had mij hierin geluisd?  

‘Eén, twee, en van je één twee drie vier,’ riep Renske enthousiast. En daar gingen we.