I. zo lang er vogels zijn
salie, lavendel, citroengeranium in het raam muizentrapjes, kubussen van vouwblaadjes het blauwe laatje en alle zorgen die daar hebben liggen rijpen
er huist een hardheid en een zachtheid in een mens die ik geen van beide vatten kan; ervoor kiezen om te wonen tussen muren waaraan we alsmaar onze hoofden stoten
ik heb geen antwoord klaar wel een toon in mijn stem, een frons of een lach, een automatische mimiek, alles gelijktijdig, alles onnavolgbaar honderd kastanjes over de tegels blijven bewegen blijven stilstaan bij wat is blijven weggaan de straat uit links, rechtdoor binnendoor, nog eens links, alles mee: salie, lavendel, kastanjes voor je kan niet weten, niet te vergeten het blauw van ons stoten, inmiddels zacht geworden zorgen, alles in onze handen en van zichzelf
zo lang er vogels zijn zullen ze zingen
konden we maar bidden, zegt mijn moeder en ik geef haar gelijk in bijna alles gelijk- tijdig, alles onnavolgbaar, zoals verdriet en dankbaarheid als twee kanten van hetzelfde zoals dit huis als een kubus om onze zachtheid gevouwen uit een vlak dat eerst gewoon een weiland was, of een kastanjeboom met vogels zingend van muizen en salie