Residu

Home Op de Schans Lezen
21 apr 2026

De bezoekers merken pas na afloop van de voorstelling dat er iets aan de hand is. Ze zitten nog op hun plaats in het kleine theaterzaaltje op de eerste verdieping, boven het theatercafé. De twee acteurs en de zangeres zijn net met overgave drie keer vanuit de heupen voorovergebogen, o lief publiek, dankjulliewel, en daarna door het middenpad gelopen en verdwenen. Het publiek is weer verwachtingsvol gaan zitten. Je kunt altijd hopen dat de spelers nog even terugkomen, nog een lied zingen of een kleine sketch doen, zoiets extra’s voor je geld is altijd fijn en dat doen ze echt niet voor iedereen. Maar ze verschijnen niet meer, ze zijn weg en ze blijven weg.  

Het was, zou je kunnen zeggen, een prikkelend stuk. Drie jonge theatermakers hadden scherpe maatschappijkritiek aan veranderende seksuele mores gekoppeld, tenminste, dat had in de recensie gestaan en dat hadden de meesten er ook wel uitgehaald. Soms een beetje grof, dan weer fijngevoelig, best geil en grappig en slim, dan weer confronterend, recht voor z’n raap… En zo knap hoe ze al die tijd die Amerikaanse hork niet bij naam hadden genoemd, toch?  

Het licht blijft nu aan, de mensen grijpen onder hun stoel naar hun glas en hun tas, maken aanstalten om op te staan.  

Pas dan, ja dán pas krijgen ze door dat de spelers dan wel zijn opgelost, maar dat al hun woorden zijn achtergebleven. Die zijn er gewoon allemaal nog. In een doodgewoon Times New Roman lettertype. Een beetje stakerig, zwart, verschillend van formaat en behoorlijk uit hun verband gerukt zijn ze in de zaal blijven hangen. De openingszinnen, de grapjes, de gezwollen statements, de bezonken overpeinzingen, het slotlied… Alle woorden zijn nog in de ruimte.   

De zojuist gesproken tekst hangt over de stoelleuningen en haakt aan het behang en tussen de fluwelen plooien. Gezongen woorden hebben zich elegant gedrapeerd in de Art Deco lampen, of kleven tegen het plafond als heliumballonnen. Sommigen zijn op het versleten toneelvloertje terechtgekomen, die hebben de eerste rij niet eens gehaald. De kleine zuchten en kuchjes, de tussenwoordjes en aanwijzingen (die juist zo veelzeggend kunnen zijn!), de ‘eh…’-s en de ‘o?’-s en de ‘uh-uhm’-s zijn ter plaatse neergevallen en liggen nu, als moegespeelde Legoblokjes, verspreid over de speelvloer en op de piano in de hoek. De punten en komma’s, de puntkomma’s, de vraag- en uitroeptekens en de haakjes steken tussen de kieren in de toneelvloer of zijn onder de voorste stoelen gerold: achtergebleven gruis.  

Zolang de zaal nog dicht is blijft alles min of meer op z’n plaats. Maar als een theatermedewerkster de zaal opendoet lekken de dichtstbijzijnde woorden naar buiten. Minsten drie zinnen ontsnappen, voordat de jonge zaalwacht - ze heet Samya, ze is van het nerveuze type en het is nota bene haar eerste avond – geschrokken de gordijnen weer dichttrekt. Daarbij knijpt ze een hele rij woorden af, woorden die aan de binnen- en buitenkant van de gordijnen met zacht gekraak uit elkaar vallen en tot as verpulverd op de grond blijven liggen. Het is zo’n gewelddadige gebeurtenis dat Samya, ineens heel bleek, het fluweel nu stijf dichtgedrukt houdt en ervoor blijft staan.

Het theater is oud en klein, ‘intiem’ wordt het altijd genoemd. In het zaaltje passen zo’n vijftig mensen, als ze de losse stoelen strak tegen elkaar aan schuiven. Het is zo’n plek in de stad waar je echt het gevoel kan hebben dat je samen iets unieks meemaakt, maar waar je ook niet van wat lichaamsgeur of gemorst bier moet schrikken. Aan de brandvoorschriften kun je beter niet denken. Maar nu is de weinige ruimte tussen de zitplaatsen en de mensen gevuld met tekst en bijgevolg is het ineens echt over-, overvol. Het begint ook behoorlijk benauwd te worden. 

Bij sommige bezoekers zijn de woorden op hun hoofd terechtgekomen, of op hun schouders. Ze zijn in de welving achter een sleutelbeen blijven liggen of aan een piercing blijven hangen, of kleven op een mooie ronde bovenarm. Het is een uitzonderlijk warme voorjaarsavond, lichaamsdelen zijn ontbloot en juist daar blijven de woorden goed plakken. Net als tatoeages staan ze de ene mens goed, de ander… toch een stuk minder. Probeer je ze af te vegen, dan verkruimelen ze met een lichte knispering en dat, zoals zojuist al bij de uitgang is gebleken, biedt een heel pijnlijke aanblik. Het geluid is zo mogelijk nog erger. Geschrokken wrijven de mensen hun handpalmen tegen elkaar en blijven er verder vanaf. Inderdaad, een lief publiek. 

Wat nu te doen?  

Een bezoeker schudt voorzichtig zijn krullen uit boven zijn schoot. Er vallen kleine, eenlettergrepige woorden uit die zich gemakkelijk in zijn handpalmen laten opvangen: ‘wij’, ‘tong’, en ‘maan’.  Een ander, een vrouw aan het einde van de rij, heeft meer moeite met grote, weerbarstige exemplaren. ‘Schermgebruik’, ‘nevenschade’ en ‘collectieve frigiditeit’ haken onhandig in elkaar, als kleerhangers in een verhuisdoos.  

Het verzamelen werkt aanstekelijk; meer mensen beginnen nu, voorzichtig, woorden op te pakken - ze kunnen ze toch moeilijk zo laten liggen. Een jongen, hij is misschien veertien en duidelijk meegenomen door zijn ouders die verstijfd op hun plaats blijven zitten, vertoont grote handigheid door hele zinnen die in het middenpad en op de traptreden liggen, zonder druk op te rollen tot een grote, luchtige kluwen met het uiterlijk, maar zonder de stekeligheid van prikkeldraad. De woorden nemen wel plaats in maar wegen klaarblijkelijk niets. De jongen is al bijna het hele zaaltje door geschuifeld, bukkend in de smalle ruimtes, en nog kost het hem geen enkele moeite de inmiddels flinke baal op te tillen. 

Bij al deze handelingen zwijgen de mensen, op hun hoede om nog meer tekst te produceren.  

Samya voelt dat ze iets moet doen. Het is niet zo dat, wanneer je een beetje een gevoelige aard hebt, je niet het voortouw kunt nemen, tenslotte. Ze heeft niet zes jaar azc’s, taalcursussen en een inburgeringsexamen achter de rug om hier, op haar eerste werkdag, te stranden op een berg halsstarrige Nederlandse woorden. Haar ouders hebben haar geleerd dat je voorzichtig met de woorden moet omgaan, ook al is hun taal een andere, een met veel meer rondingen en gekrulde uiteinden. ‘Woorden laten je hart zingen,’ zegt haar moeder, ‘maar ze kunnen er ook een gat in boren.’ ‘Of ze worden verdraaid, en dan staan ze ineens je voordeur in te slaan,’ mompelt haar vader dan, die steeds spaarzamer geworden is met taal. Bij hem moet je de woorden bijna met een lepeltje uit zijn mond scheppen. Ze verdringt haar gedachten voordat ze - onder deze ongekende omstandigheden moet je met alles rekening houden - zichtbaar kunnen worden voor de anderen.  

Ze gebaart tegen de veertienjarige dat hij de deuropening moet bewaken. Ze loopt naar voren, erop toeziend niets te vertrappen, hier en daar een woord voorzichtig aan de kant schuivend met haar rode Sketchers. Op het podium, de spot stond er nog op, valt extra op hoe bleek haar ronde gezicht is: een kleine maan die nu de weg moet gaan wijzen. Met een paar efficiënte gebaren maakte ze duidelijk dat de bezoekers allemaal (groot zaalomvattend gebaar) de woorden voorzichtig (gebaar alsof ze eieren in haar handen houdt) moeten oppakken, allemaal ja, en dat ze dan met haar naar buiten zullen gaan (met haar vingers een ‘trap aflopen’, daarna een duikgebaar).  

Na een paar minuten is iedereen zo ver. De een heeft, net als de jongen, een hele kluwen op zijn schouders. Anderen dragen een voorraad in hun handpalmen, of houden hun tekst met gekruiste armen voorzichtig tegen hun buik en borst. Een lange man heeft jolig een paar grote woorden op zijn kale hoofd gestapeld; het staat hem eigenlijk best goed.  

Wat tegen het plafond hangt moet maar achtergelaten worden. Dat zal misschien vanzelf nog eens naar beneden komen, enfin, je kan niet alles en iedereen redden.  

Samya komt van het podium af en stelt zich, nadat ze de jongen duidelijk heeft gemaakt dat hij de hekkensluiter is, bij de toegang op. Als ze ziet dat iedereen overeind staat en klaar is, de handen en armen en een enkele opgetilde rok vol, opent ze met een beslist gebaar de zaal. Onmiddellijk slipt er iets langs haar kuiten, maar daar probeert ze niet op te letten. Ze steekt haar hand op en begint de trap af te dalen. 

Het rumoer in het café een verdieping lager verstomt zodra de eerste theaterbezoekers zichtbaar worden. Een voor een, achter elkaar en zonder stommelen, lopen ze behoedzaam omlaag. En het is juist deze voorzichtigheid, deze bijna plechtstatige beheersing die de aandacht trekt. Vijftig bezoekers, met rode hoofden en met hun eerbiedig gedragen bagage, doorkruisen het café, op weg naar de uitgang. Iedereen zwijgt. De barvrouw is bevroren in haar pose van glas in de ene hand, de andere zwevend boven de biertap. Alleen de vlammen van de waxinelichtjes op de tafels en op de bovenlijsten bewegen. Ook de drie jonge theatermakers, die al aan de bar blijken te zitten, onderbreken hun adrenaline-gedreven, post-voorstellinggepraat en kijken met open mond naar wat voorbij wordt gedragen. Waarin ze, of zou dat nu verbeelding zijn?, zoveel denken te herkennen.  

Onder leiding van Samya, van wie zich een nieuw, machtig gevoel meester heeft gemaakt, lopen de bezoekers achter elkaar aan de Zeedijk op, richting de Nieuwmarkt. De koele buitenlucht streelt hun warme wangen en speelt door hun luchtige last. Ze houden alles extra zorgvuldig vast zonder iets plat te drukken. Alsof de woorden van bladgoud zijn en niet van… ja, van wat eigenlijk? In ganzenpas gaat het over de oude, smalle straat, gevuld met toeristen en bewoners en oude muzikanten en studenten en wietrokers en vrijgezellen en psychoten en verliefden en handelaars en mensen die in de rij staan voor de Thai en mensen die net naar buiten komen en handhavers en bellende fietsers en vloekende fietsers en vrijgezellen en gelovigen en vapers en energydrank-drinkers en daklozen en millenials en Gen-Z-ers en boomers en naamlozen. En honden. En katten. En duiven.  

Bijna niemand ziet wat er gebeurt, behalve een paar mensen die dat hun leven niet meer zullen vergeten en die nooit geloofd zullen worden. 

Op het plein staat de groep, die daarnet in de smalle straat nog zo’n natuurlijke processie vormde, een beetje verloren bij elkaar voor De Waag, onder de roze kleurende avondlucht.  De terrassen rondom zitten vol, het gewolk van stemmen dobbert aan de randen van de Nieuwmarkt.  

‘Misschien moeten we…’ begint de lange man met de stapel op zijn hoofd. Voor hij zijn gedachte tot een einde kan brengen, veegt een plotselinge windvlaag over de open vlakte van het plein. Het is tenslotte april, het weer zit vol verrassingen. Er is al geen houden meer aan, alle woorden worden tegelijkertijd opgetild, uit de handen geblazen en meegenomen. En nu dwarrelen ze, als populierenpluis, uit over de oude stenen. Sommige vegen de gracht in, andere wervelen omhoog en verdwijnen na een kort moment van aarzeling boven de hoofden uit het zicht, als een zwerm spreeuwen die zich groepeert en er vandoor gaat. De rest van de tekst wordt de aanliggende straten ingeblazen om daar, onopgemerkt, deel uit te gaan maken van alles wat er al is.  

Even staat de groep elkaar aan te kijken, beschaamd bijna, onzeker over wat ze net hebben meegemaakt, wat nu al het verhaal van iemand anders lijkt. Niemand, ook de veertienjarige niet, heeft er een foto van gemaakt. Na een moment wordt de stilte doorbroken door een kuchje hier, een zenuwachtig lachje daar. Hèhè. Sommigen omarmen degene die naast hen staat, de meesten houden het bij een beleefd knikje, en dan gaat ieder beschroomd zijns weegs. Een enkeling zal bij thuiskomst nog wat zwart gruis vinden in een jaszak, of in een mouwomslag. 

Samya gaat terug naar het theater om de zaal af te sluiten. Met de bezem en daarna met het stoffer en blik verzamelt ze eerst nog voorzichtig de achtergebleven interpunctie. Bij de prullenbak verandert ze van gedachten, loopt de trap weer af en strooit de punten en komma’s, de puntkomma’s, de vraag- en uitroeptekens uit over de straatstenen voor de deur van het theatercafé, waar de wind ze meeneemt. En de haakjes, ja, die ook.  

‘Luister goed, wees ruimhartig en deel gul,’ had haar moeder haar vanochtend nog op het hart gedrukt. ‘Het is je eerste werkdag.’  

Op 12 april 2026 las Sacha Bronwasser deze tekst voor in theater Mascini op een speciale editie van Op de Schans tijdens de Warmoes Biënnale. We wandelden langs verschillende locaties in de Warmoesstraat en genoten naast de voordracht van Sacha ook van verhalen van Sarah Arnolds en Maurits de Bruijn en muziek van MC Lost. De schrijvers waren uitgenodigd om nieuw werk te schrijven geïnspireerd door drie locaties die de Warmoes Biënnale had geselecteerd.

Sacha Bronwasser

Sacha Bronwasser

Sacha Bronwasser is schrijver van de romans Niets is gelogen (2019) en Luister (2023, genomineerd voor o.a. de Libris Literatuurprijs) en de verhalenbundel De Lotgevallen (2024). Ze is van huis uit kunsthistoricus. Op dat gebied was ze lang journalist (voor de Volkskrant) en organiseerde …