SLAA

SLAA

Jelle: Marije Uijtdehaage

Jelle: Marije Uijtdehaage

Deze Noorderwoordmonoloog werd opgevoerd tijdens Noorderwoord op 5 april 2017. De monoloog is geschreven door Marije Uijtdehaage en is gebaseerd op interviews met Jelle. De monoloog werd opgevoerd door Derek de Lint.

Een steen is iets uit de natuur.

Gevormd in tweeduizend jaar.

Ik heb niet meegemaakt wat hij heeft meegemaakt.

Ik weet niet hoe die in mekaar steekt.

Toch haal ik er een figuur uit.

Een blok steen ga ik halen bij de Beeldhouwwinkel.

Daar liggen ze in de meest bizare vormen.

Ik loop erlangs.

Loop er nog eens langs.

Ik bekijk dit stuk.

Til dat eens op.

Op een gegeven moment heb ik de steen die ik zoek.

Die gaat mee naar de werkplaats.

Daar begin ik met schoonmaken.

Met water en een borstel.

Mijn vingertoppen glijden over het koude vlak.

Ik hak het overtollige materiaal weg.

Hakken geeft zoveel stof.

Dat moet op de werkplaats.

Daarna mag hij pas mee naar huis.

 

Daar krijgt hij een plek op de keukentafel.

Tussen de potjes verf,

de kwasten,

de potloden,

de radio,

de rol King pepermunt,

het stapeltje post,

en het schilderij van Tine.

 

Tine,

mijn tuttebel.

Ik ken haar al zo lang.

Van jongs af aan woonden we bij elkaar in de President Brandstraat.

Gezinnen met Joden en Christenen woonden naast en boven elkaar.

Mijn vader was Christen, mijn moeder Jood.

Tine’s vader was een zwarte, Surinaamse Christen, haar moeder een Nederlandse Christen.

Als je mij toen vroeg wat een Jood was,

zei ik; stinkjood.

Dat het een scheldwoord was…

Wat wist ik als kind?

Dat begrijp je pas als de oorlog begint.

En die begon.

 

Joden mochten hun boeken niet meer bezitten.

Uit angst om opgepakt te worden,

sleepten zij de boeken uit hun huizen

naar de speeltuin achter ons huis.

Daar maakten zij een groot vuur.

En verbranden hun waarheid.

De Duitsers keken toe.

Joden riepen:

“Liever fascisme dan communisme.”

Een zin die nog altijd ronddreunt in mijn hoofd.

Als het had geholpen…

Het heeft niets geholpen.

 

De stenen waar ik mee werk zijn niet altijd even meewerkend.

Soms toont zich tijdens het hakken een lelijke ader.

Of ze breken of scheuren.

Dan is de lol eraf.

Na het hakken, begint het raspen.

Zo’n nekkie, moet je raspen.

Als je beitelt, kan het zo breken.

Mijn handen vouwen zich om de vorm die ontstaat.

Ik zie steeds meer lijnen.

Langzaam vormt zich een beeld.

Er zijn mensen die het andersom doen.

Ze bedenken wat ze willen maken en hakken erop los.

Dan zijn ze bezig en halverwege breekt het af.

Daar sta je dan toch wel even.

 

Ik was een moeilijk kind, zeiden ze.

Omdat ik mij op school niet liet slaan.

Als je te laat was of wat had gedaan,

moest je je handen vouwen,

kreeg je een klap met de lineaal.

Ik weigerde.

Ik liet mij niet slaan.

Ik moest naar een school voor moeilijke jongens.

Nou, dan kom je met een ander soort jongens in de klas.

 

De oorlog gaat door.

Thuis is er steeds minder te eten.

We zijn met zes kinderen.

Teveel monden om te voeden.

Mijn vriend Jacobus, woont bij mij in de straat.

Elke maandagochtend wandel ik met hem naar Wieringermeer.

We hebben zo onze adressen

waar we om eten vragen.

Vaak krijgen we teveel.

Meer dan onze lijven kunnen verwerken.

Iets weigeren, laten we wel uit ons hoofd.

Anders krijg je de volgende keer niet meer.

 

De oorlog gaat door.

Mijn oudste broer wordt geboren.

Tine krijgt een zusje.

Haar ouders nemen een Joods meisje in huis.

Ondanks de blikken en het gefluister, houden zij de rug recht.

Zij zorgen voor het meisje

alsof het hun dochter is,

alsof het haar zusje is.

Na twee jaar komt een oom het meisje halen.

Tine’s zusje wordt meegenomen.

Die oom belooft voor haar te zorgen.

Zodra hij kan, verkoopt hij haar aan rijke mensen.

 

De oorlog gaat door.

Tine’s vader zit in het verzet.

Op een dag speel ik bij mijn vriend.

Vanuit zijn slaapkamerraam hebben we

een goed uitzicht op de straat.

Er komen twee agenten aanrijden.

Ze parkeren de auto een stukje verderop

en lopen zo naar het huis van Tine.

Ze zoeken ene Albert Wittenberg.

Hij doet open.

Als hij zei dat Albert niet thuis was,

waren de agenten zo weer weggegaan.

Die weten niet dat ze een zwarte man zoeken.

Ze arresteren hem en stoppen hem in de auto.

Wat kunnen mijn vriend en ik doen?

Twee uur voor de bevrijding stoppen ze Tine’s vader

met anderen in een verffabriek.

De deuren knallen dicht.

De fik erin.

Iedereen verbrand.

 

We wisten lange tijd niet waar hij was.

Jaren later kregen we een bericht.

Van de Amerikaanse inlichtingsdienst.

Wat dat aangaat was het Duitse regime zo precies

dat ze elke dingetje opschreven.

 

De steen bepaalt.

Wat hij gaat worden.

Daar zitten gaten.

Daar lege holtes.

Lege stukken moeten weg.

 

Na de oorlog,

waren er van de honderdvierenveertig gezinnen uit onze straat

nog maar zes over.

Na de oorlog,

konden de kinderstemmen die galmden tussen de portieken

niemand meer verblijden.

 

Mijn vriend,

verhuisde naar Canada.

Ik kreeg verkering en wilde met haar op dansles.

Zij niet.

Ik vroeg Tine die het wel zag zitten.

Zo zijn wij een koppel geworden.

Tine,

mijn tuttebel.

Dat werd ze later pas.

Dat zijn dingen die groeien.

Als je start denk je niet aan liefde hoor.

Nee, dan denk je alleen maar aan hebben.

Ik weet niet hoe dat andersom is,

maar voor mijn gevoel is het alleen maar hebben.

Dat andere gevoel komt later pas.

Als je begrip voor elkaar gaat tonen.

 

We vreeën in de schaduw van de bomen,

achter schuurtjes of in een portiek.

We vreeën waar kon.

We omarmden elkaar en onze prille liefde.

We wilden met elkaar trouwen.

Ik kon haar vader niet meer om haar hand vragen.

 

De kasten in de woonkamer staan vol met beelden.

Sommigen beelden maak ik in een paar uur,

aan sommige zit ik maanden te prutsen.

Wat ontstaat gaat altijd over de liefde.

Kameraden met de armen om elkaar heen.

Moeder en kind.

Vrijende paartjes.

Staand vooral.

 

Ik begon ermee op vakantie.

De kinderen waren nog klein.

We kampeerden met de jongens in een tent.

Drie jongens zijn ons gegeven.

Ik moest op de kinderen passen.

Verder had ik niets om handen.

Ik vond een stok.

Hakte hem uit met een aardappelschilmes.

Dat was het enige wat ik had.

 

Mijn oudste broer had het probleem in de oorlog te zijn geboren.

Als kindzijnde vroeg hij waarom hij geen opa of oma meer had.

Iedereen had er vier.

Wij maar twee.

Wat moesten mijn ouders zeggen?

Het Jodendom werd een obsessie voor hem.

Hij werd Jood.

En hoe.

Ik heb mijn jongens niet Joods opgevoed.

Even was ik Minjan bij de Joodse gemeenschap in Weesp.

Ze zochten een negende man.

Ik las voor wat ik niet begreep.

Ik was er niet mee opgevoed.

 

Welk moment ook uitkomt,

ga ik even aan de keukentafel zitten.

Doe mijn schort voor.

Zet de radio aan.

Muziek stoort nooit.

Weer wat wegschuren.

Voor het goed overloopt, ben je zo een paar uur verder.

Mijn hoofd is alleen bezig met het beeld.

 

Twee van onze jongens vlogen vroeg en ver uit naar Amerika.

Een besluit dat we namen, omdat we bang waren dat het misging

met de jongste.

Het was een lieve jongen, maar hij deed niets op school.

De middelste wilde ook wel naar Amerika en ging met hem mee.

We hebben ze op het vliegtuig gezet.

En nooit opgezocht.

Bang dat ze heimwee zouden krijgen.

 

Tine en ik zaten in een kasteel van een huis.

Met z’n twee.

Het tikken van de klok klonk harder dan ooit.

 

Mijn vriend Jacobus woonde in Canada.

Ik kreeg een telefoontje.

Van zijn vrouw.

Mijn vriend had het oorlogssyndroom.

Hij wilde mij zien.

Na veertig jaar.

Of ik hem ook wilde zien.

Dat wilde ik en dat kon die zomer al.

Tine en ik zouden toch naar New York gaan.

We kwamen wel even langs.

In Canada hebben we twee dagen naar elkaar gekeken.

Geen boeh of bah gezegd.

De vriendschap was er nog steeds.

Alleen Canada is ver.

 

Tine kreeg een telefoontje.

Van haar zusje.

Haar zusje wilde altijd al contact zoeken,

maar als ze dat had gedaan,

hadden haar pleegouders haar onterfd.

Tine sloot haar zusje weer in haar armen.

 

Slechts een maand later,

werd mijn grootste geluk van mij afgenomen.

We kijken TV.

Tine op de bank.

Ik in mijn stoel.

Ze staat op en gaat naar de badcel.

Ik hoor haar om haar moeder roepen.

De deur vliegt open.

Ze zegt; Ik ga dood.

En valt neer.

In mijn armen.

De ambulance komt.

Ze leggen haar neer.

Ik mag niet bij haar.

Op ons bed wacht ik op haar.

Tot de broeder komt.

Niet te redden.

Een gesprongen hartslagader.

 

Als ik ooit alleen kom te staan.

Begonnen anderen.

Ze weten niets…

Niets van de nachten die ik alleen in bed lig.

Het deed mij goed dat ze thuis lag opgebaard.

Toen ze eenmaal gecremeerd was,

kon ik het niet opbrengen steeds naar de begraafplaats te gaan.

 

Ik heb mijn beelden.

Ik schuur.

Maak schoon.

In ieder vrij uurtje.

In de schuur hang ik planken op.

Om nog meer beelden kwijt te kunnen.

Ik schuur.

Maak schoon.

Mijn tijdsbesef raak ik kwijt.

Ik schuur.

Maak schoon.

Ik veeg.

Na een paar uur heb je zo twee koffiekoppen vol stof.

 

Als ik zover ben.

Wordt onze as bij elkaar gedaan.

Van Tine en van mij.

Worden we uitgestrooid.

Samen.

 

Ik schuur.

Maak schoon.

De schuur vult zich met beelden.

 

Mijn verjaardag komt eraan.

In juni word ik zesentachtig.

We vieren het net als ieder jaar in het buitenverblijf van mijn zoon.

Alle beelden stof ik stuk voor stuk af.

In het buitenverblijf worden ze tentoongesteld.

Bewonderd.

Meegenomen.

Wat heb ik eraan ze te bewaren?

Ik kan ze beter weggeven nu ik nog leef.