SLAA

SLAA

Tommy Wieringa: Foto

Tommy Wieringa

Tommy Wieringa: Foto

Tommy Wieringa

Foto  

Na het optreden vraagt een fotograaf of ik met twee meisjes op de foto wil. Ze durven het zelf niet te vragen, ze hebben hem vooruit gestuurd. Twee vrouwen, midden dertig, de een knap en de ander niet. Het oordeel van een oogopslag. Soms moet je het bijstellen, meestal niet. De fotograaf neemt zijn positie in, ik ga naast de vrouwen staan maar dat is niet de bedoeling, ze posteren zich aan weerszijden van mij en schurken zich nadrukkelijk tegen me aan. Voor de tweede foto nemen ze beiden een arm zodat er nu een omhelzing is ontstaan. Die positie suggereert een intimiteit die er niet is, ik heb er niets over te zeggen, ze hebben besloten hun wil met me doen. Ik herinner me de woorden van Otto Muehl: geen dier is zo begerig als het mensenvrouwtje. 

We praten wat, ik concentreer me op de minst aantrekkelijke van de twee omdat het te voor de hand liggend is om met de mooiste te praten. De wereld stelt al zoveel in het werk om haar gelukkig te maken, ze krijgt al zo gemakkelijk banen, minnaars, kansen – het leven bevoordeelt mooie mensen met een misselijkmakend enthousiasme. Ik ben de minnaar van de lelijke vriendinnen, uit rechtvaardigheid en mededogen. 

Even tevoren heb ik voorgelezen in de grote zaal van de schouwburg. Het was na middernacht, het moment dat landerigheid en dronkenschap het voor het zeggen krijgen en het publiek eigenlijk alleen maar wacht op de act na jou, Hans Teeuwen die liedjes zingt. Een verloren, stimulerende positie. Ik lees verhalen die ik nog niet eerder heb voorgelezen, langzaam verandert er iets in de zaal, het rumoer gaat liggen, er ontstaat een hoopvolle stemming. De verhalen weven dunne draden tussen mij en de mensen in het donker, de woorden fonkelen als druppels aan een vislijn, elk woord wordt verstaan en begrepen. Ik stook het vuur langzaam op, het wordt aangeblazen door applaus en gejoel – dit is wat voorlezen moet zijn, het ontketenen van een opstand.  

Later die nacht kom ik de fotograaf weer tegen. Op het schermpje van zijn toestel laat hij me de foto’s met de twee vrouwen zien. Tussen hen in staat een jandoedel wiens slip-over opkruipt tot boven zijn riem, zijn hemd komt eronder tevoorschijn, een witte vlag; iedere pose is hem ontnomen in die gretige omhelzing. De vrouwen lachen, gezonde, sterke gebitten; twee felle roofdiertjes, gemaakt voor de jacht.