SLAA

SLAA

Thomas Heerma van Voss: Mijn bezoek aan Eschborn

Thomas Heerma van Voss

Thomas Heerma van Voss: Mijn bezoek aan Eschborn

Thomas Heerma van Voss

Mijn bezoek aan Eschborn 

We worden opgewacht door de lokale wethouder. ‘Welkom in Eschborn,’ zegt hij zodra we de taxi uitstappen. ‘Jullie zijn net op tijd. Klaar voor jullie optreden?’ 

Eschborn. Een dorp dat ik op de kaart nooit zou kunnen aanwijzen. Het ligt dicht bij Frankfurt, dat weet ik wel, want daar traden we gisteren op. Alhoewel, ‘optreden’ is altijd een misleidend woord in deze context: we zaten achter een houten tafel in een boekhandel en hoopten dat er iemand zou komen. Ik was, zoals steeds hier in Duitsland, met Uli. Een ondoorgrondelijke, massieve DDR-Duitser van in de zestig, die tot mijn grote verbazing heeft besloten mijn roman Stern te vertalen en nu dient als tolk. Hij is het soort man dat niemand omver krijgt. De afgelopen dagen heb ik een zwak voor hem gekregen. Met een kalmerende onverstoorbaarheid neemt hij me dag in dag uit op sleeptouw, Duitsland door: voor Frankfurt was er Köln, voor Köln was er Düsseldorf. 

We volgen de wethouder, zijn opgetogen tred naar zijn ‘Burthause for Kulture waar we gaan optreden. Hij somt op wat hij allemaal aan promotie heeft gedaan voor vanavond: via de lokale stadskrant en op de radio, via persoonlijke brieven naar vrienden en familie, via posters die hij eigenhandig heeft opgehangen. 

Om ons heen: onverlichte huizen, kantoren met dichte rolluiken, stuk voor stuk uitgestorven straten. Zelden heb ik zo’n desolaat oord gezien, het dorp lijkt een levensgrote maquette waar men vergeten is bewoners in te stoppen. Ik zeg niets, ook Uli zwijgt. Praten doet hij sowieso weinig. Als hij wel iets zegt weet ik regelmatig niet of het Duits of Nederlands is. Hij rookt onophoudelijk, schuift bij iedere maaltijd alles wat in de buurt komt van de groente opzij en drinkt voortdurend bier. Toen een ober in Köln voorzichtig informeerde of hij ook water wilde, antwoordde hij in volle ernst: ‘In bier zit ook water.’ 

Het Burthause blijkt tevens het museum van Eschborn te zijn. Het is een groot gebouw met uitsluitend enorme kamers. Aan vrijwel alle muren een poster met mijn gezicht erop. Soms vijf naast elkaar. Zelfs op de wc staar ik naar die vervreemdend jonge versie van mezelf. 

Eenmaal in de zaal staan er zeker vijftig stoelen klaar. Volgens de officiële aankondiging zou het programma nu al moeten beginnen, maar er is nog niemand. Uli staat buiten, bij de voordeur, een sigaret te roken, de rook kringelt om zijn gezicht. De wethouder legt een hand op mijn schouder en begint uit het niets op te sommen welke schrijvers hij tevergeefs allemaal heeft uitgenodigd heeft om vanavond op te treden, voordat hij bij mij uitkwam. Herman Koch, Otto de Kat, Anna Woltz. Daarna herhaalt hij via welke kanalen hij allemaal reclame had gemaakt en hij fluistert: ‘We hebben hier ruimte voor zeker honderd bezoekers.’ 

Er komen er uiteindelijk vijf: twee vriendinnen van Uli, een boekverkoopster, een medewerkster van mijn Duitse uitgeverij en de echtgenote van de wethouder. 

Uli en ik gaan achter een houten tafel vooraan zitten. De vrouw van de wethouder maakt foto’s, de wethouder zelf neemt het woord. In zijn merkwaardig lange inleiding noemt hij me ‘het grootste literaire talent van Nederland’. Ik voel me een oplichter. En dat gevoel wordt de rest van de avond alleen maar sterker. Uli en ik doen hetzelfde als de dagen hiervoor, we lezen allebei iets voor, hij stelt vragen in het Duits en vertaalt enigszins grommend mijn antwoorden, en hoe langer ik mezelf hoor praten, hoe sterker ik me afvraag wat ik hier in hemelsnaam doe, wie we voor de gek houden met dit toneelstuk en of we niet beter gewoon allemaal naar huis kunnen gaan. 

Ondertussen zie ik de wethouder regelmatig naar het raam lopen. Misschien denkt hij dat mensen bij de ingang treuzelen en wil hij ze te hulp schieten. Misschien probeert hij met een vriendelijke glimlach passanten naar binnen te lokken. Hoe dan ook komt er niemand meer. 

De echtgenote van de wethouder gaat onverstoorbaar door met foto’s maken. Het zijn er inmiddels zeker honderd. Zou ze de lege stoelen ook vastleggen? 

Het applaus na afloop is een bevrijding. Ik haast me naar de uitgang, waar de wethouder op me afstapt en weer zegt hoe veel reclame hij hiervoor heeft gemaakt, als een politicus die zichzelf wil vrijpleiten: aan mij heeft het niet gelegen. ‘Wie weet is er een belangrijke voetbalwedstrijd,’ stamelt hij. 

‘Nee,’ komt de boekverkoopster tussenbeide. ‘Er is vanavond niets anders te doen in Eschborn.’ 

Ze stopt de boeken die ze tijdens de voordracht heeft uitgepakt – dertig, dat is dus ruim drie boeken per aanwezige – allemaal terug in de boodschappentas waarin ze ze had meegenomen. 

Andere auteurs zouden wellicht boos woorden. Op de wethouder, op het stadje, op een uitgeverij, op wie dan ook. Of ze zouden hun schouders ophalen en verder gaan – en straks bij thuiskomst in Nederland een glorieus verhaal vertellen. Vertaald! Internationaal! Hotels! Allerlei optredens! Ik weet nu al dat ik dat niet kan opbrengen. Dat zoals gebruikelijk vooral schaamte me bijblijft. Het was immers mijn hoofd waar de mensen niet op afkwamen, ze hadden het gezien en gedacht: nee. Waarom dringt mislukking doorgaans zo veel dieper tot me door dan iets wat wel van de grond komt? Waarom ben ik de gezichten die de afgelopen dagen in al die Duitse zaaltjes om een handtekening vroegen nu alweer vergeten, en zal ik de wethouder tot in detail blijven onthouden? 

Ik denk aan Otto de Kat, aan Anna Woltz en aan Herman Koch, ik voel ineens een ontzettende bewondering voor ze opkomen, ze zitten op dit moment waarschijnlijk ontspannen thuis, ze werken aan iets wat ze de moeite waard vinden, heel simpel. 

Bij de uitgang betaalt de wethouder me contant. Terwijl hij de biljetten in mijn handen drukt kijkt hij me nadrukkelijk aan. Alsof hij verwacht dat ik zeg: ach, nee, dit is bij nader inzien te veel, houd het allemaal maar.  

Ik prop het besmuikt in mijn broekzak en loop naar Uli. Hij staat zeker zijn vijftigste sigaret van de afgelopen dagen te roken. We lopen terug naar de taxi. Hij mompelt zonder enige aanleiding: ‘Mijn vrouw weet niet dat ik rook.’ 

Daarna fluistert hij: ‘Echt, ze heeft niks door, ik ben een meester van de camouflage.’ 

Om een of andere reden ontroeren die zinnen me. Ik hoor ze in gedachten nagalmen, weet dat ik ze niet zal vergeten. Zonder nog iets te zeggen lopen we verder. De meester van de camouflage, dat wil ik ook worden. Ik wil iemand worden van wie je de schaamte niet kan zien. Die het zo goed onderdrukt dat er op een gegeven moment geen gêne meer is, alleen nog trots, tevredenheid. En ik versnel mijn pas, weg van alles wat ik ken.