SLAA

SLAA

Niña Weijers: Dit verhaal begint in 1981

Niña Weijers

Niña Weijers: Dit verhaal begint in 1981

Niña Weijers

Dit verhaal begint in 1981, zes jaar voor mijn geboorte in feite, ik was nog niets — geen embryo, geen eicel, geen spermacel. Mijn ouders waren nog twintigers, die mij niet wensten, die elkaar trouwens ook helemaal nog niet kenden. Ik had ze al wel uitgezocht. Ze pasten niet erg goed bij elkaar, en juist daarom zouden ze verliefd worden — een hoop tumult op een eiland in de Stille Zuidzee, duistere, tropische nachten, een onmiddellijke kinderwens die vooral bestond uit nieuwsgierigheid naar het resultaat van hun onwaarschijnlijke verbintenis. Ik had gemikt op de lengte van mijn vader, en de moed van mijn moeder. Zulke dingen vallen nooit helemaal te sturen.  

Ik bestond in die vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw, kort gezegd, als een idee vrij van substantie. Dit bood veel mogelijkheden. Een van die mogelijkheden was een sollicitatiegesprek bij de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, die ook nog niet bestond maar al wel in de lucht hing, om precies te zijn de lucht boven het Kleine-Gartmanplantsoen. Ik wist al vroeg dat ik iets met literatuur wilde. Literaire evenementen kwamen me in die tijd voor als het summum van beschaving. Hoe slechter de schrijver uit zijn woorden kwam, hoe meer die in mijn aanzien steeg. Dat het bier na afloop van zulke bijeenkomsten vaak lauw en van inferieure kwaliteit was, beschouwde ik als een mysterie waarvan ik de diepten misschien op een dag zou doorgronden.  

De toekomstige SLAA leek me een uitstekende plek om nog voor mijn geboorte de juiste connecties te leggen binnen de literaire wereld, zodat ik tussen grofweg 1987 en 2005 met een gerust hart kon opgroeien tot de boomlange, moedige vrouw die ik op een dag zou zijn. Daarna zou mijn bedje gespreid zijn, en kon ik tot in de lengte der dagen literaire evenementen bijwonen en AH Pilsner drinken.  

De enige andere sollicitante van die dag was een schele kleuter van een jaar of vijf met kortgewiekt haar. Ze sprak in een geaffecteerd soort Vlaams, overduidelijk geïnspireerd op de dictie van Hugo Claus, in die tijd een graag geziene gast op de televisie. De kleuter had een nogal grote mond, en vertelde aan iedereen die het horen wilde (niemand) dat ze later schrijver zou worden, de grilligste pen van Vlaanderen en wat niet allemaal meer. Ze zou sigaretten roken met de groten der aarde, met en zonder wiet, haar maakte het allemaal niet uit, zolang haar hoofd maar in genoeg rookwolken gehuld bleef. Nationale en internationale podia zouden haar overstelpen met uitnodigingen, die ze in alle talen die Europa rijk was kon beantwoord… et cetera.  

Om een lang verhaal kort te maken: we werden allebei afgekeurd door de hypothetische literaire stichting. Als het lichaamsloze idee dat ik toen nog was, was ik moeilijk inzetbaar als kaartjesknipper of barvrouw. De Vlaamse kleuter had letterlijk twee linkerhanden, wat de praktische kant van de zaak bemoeilijkte. Mij werd verzocht eerst maar eens geboren te worden. De kleuter werd aangeraden ‘iets creatiefs’ te gaan doen en uit de buurt te blijven van scherpe voorwerpen. Ze citeerde Claus nog — ‘als het schaap begint te schijten, dan is er niemand thuis’ — maar het mocht geen baat hebben. We dropen af, die dag, het was onze eerste literaire nederlaag, en, zoals een jaar of vijfendertig later bleek, niet onze laatste.  

De schele kleuter was inmiddels uitgegroeid tot een bloedmooie, zwartharige furie wier ogen nog altijd niet erg synchroon de wereld in keken. En ikzelf, ach, wat zal ik zeggen? ‘Boomlang’ is helaas nooit een woord gebleken dat mensen over mij in hun mond nemen. Het noodlot wilde dat zowel de kleuter als ik schrijfster was geworden na die desastreuze sollicitatieronde bij de SLAA, vijfendertig jaar eerder. En dat niet alleen: we hadden het ook nodig gevonden verliefd te worden op elkaar, en dat niet te negeren, zoals mensen met enig verstand in hun kop. In het najaar van 2016 botste deze combinatie van rampen frontaal op elkaar tijdens een literaire avond in Duitsland, waar we zij aan zij op een podium werden gezet om in gebroken Duits ons oordeel te geven over het literaire klimaat in Nederland en België. Maar dat is weer een ander verhaal.