SLAA

SLAA

Joost Oomen: Volle zalen, open kist

Joost Oomen

Joost Oomen: Volle zalen, open kist

Joost Oomen

Volle zalen, open kist

Ik word gebeld door de gemeente Groningen omdat er een dode junk in een hotelkamer van Hotel Friesland is gevonden. Een vieze spuit op het tapijt, overdosis. Ik ben geen welzijnswerker, geen forensisch rechercheur en ik ben ook niet de schoonmaker. Ik ben de stadsdichter van Groningen en wanneer er iemand overlijdt zonder familie of vrienden moet ik een gedicht schrijven en dat komen voordragen. Ik word op dinsdagochtend, acht uur verwacht in het crematorium. Net als bij trouwen zijn er dure en goedkope tijden voor crematies.

De naam van het lijk mag ik niet weten, wel wat ongeveer zijn levenswandel is geweest. Doordat zijn naam in het gastenboek van het hotel stond, hebben ze veel over hem kunnen vinden. Hij is geboren in Delfzijl, naar Groningen verhuisd op zijn negentiende en daar aan de dope geraakt. Kleine criminaliteit, lang strafblad. Eenmaal fulltime junkie wordt hij door zijn ouders onder dwang meegenomen naar Spanje. In Spanje zou hij afkicken, maar ook daar wist hij aan heroïne te komen. Zijn ouders verbreken het contact, hij trekt de Pyreneeën in. Hoog in de bergen ontmoet hij zijn grote liefde, een vrouw die in een afgelegen huisje honderden katten verzorgt. Hij wordt gelukkig, maar blijft verslaafd. Als hij voor een oude strafzaak terug naar Groningen moet, vergist hij zich in de sterkte van de Nederlandse heroïne en spuit zich per ongeluk een overdosis.

Ik schrijf een simpel gedicht over het verlangen naar boterhammen met pindakaas als je in Spanje woont. Ik vergelijk de mist in de haven van Delfzijl met de mist tussen Spaanse bergen.

Op de afgesproken tijd sta ik in het crematorium naast de waterkoeler. Een luchtbel stijgt op in het apparaat. Aan het andere eind van de gang komt een vrouw van de gemeente tevoorschijn. ‘We hebben een probleem,’ zegt ze.

De ouders van de dode hadden het contact verbroken en zijn vriendin moest voor de katten zorgen, daarom zou er niemand zijn en daarom was ik gebeld. Maar vanmorgen vroeg heeft zich een broer gemeld die nu in het zaaltje zit. De broer komt uit Oude Pekela. Als er één iemand uit Oude Pekela naar een begrafenis komt, dan komen ze allemaal.

Ik loop het zaaltje binnen. Aan de ene kant zitten twintig Pekelers op haastig neergezette stoelen. Ze hebben hun winterjassen aangehouden en ze zeggen niets. Aan de andere kant van het zaaltje staat een open kist met een graatmagere junk erin. Hij heeft een paarse vlek op zijn voorhoofd. De kist is de kist die door de gemeente wordt hergebruikt voor alle eenzame uitvaarten. De junk en de Pekelers kijken elkaar aan.

De gemeente heeft een vast programma voor dit soort uitvaarten. Eerst wordt er gevraagd of er iemand iets wil zeggen, dan ben ik met mijn gedicht en tot slot is er muziek. Er wordt altijd aan de lege zaal gevraagd of iemand nog iets wil zeggen en normaal wil niemand dat. Nu wel. Een dikke man staat op van zijn stoel, maar loopt niet naar voren. Hij blijft voor zijn stoel staan. Stotterend vertelt hij dat de dode zo strak stuken kon. Terwijl hij praat, spelen zijn handen met zijn autosleutels.

Ik draag mijn gedicht voor en een mevrouw hoest erdoorheen. Het is een rochelende shaghoest. Ik ga weer zitten.

Een speciale afdeling van de gemeente heeft de muziek uitgezocht. Die muziek wordt speciaal voor de overledene gekozen, zodat de nummers een beetje bij de levenswandel van de dode passen. Het eerste nummer is ‘Rolling in the Deep’ van Adele. We luisteren er zwijgend naar terwijl we naar het lijk in de kist kijken. Het tweede nummer (elke dode heeft recht op twee nummers) is ‘Valerie’ van Amy Winehouse. De tonen vallen uit de speakers op het doffe linoleum. De ene dode heroïnejunk zingt de andere dode heroïnejunk vrolijk toe, terwijl ik tussen de resten van honderd jaar Gronings inteelt slokken lauwe koffie drink. De vrouw met de shaghoest rochelt door het refrein. Ik hoop dat er iemand door zijn stoel zakt of zoiets, maar het hele nummer lang gebeurt er niets.

Ik rook buiten een sigaret. De Pekelers roken ook, maar ze staan een paar meter van mij af. Een vrouw maakt zich los uit het groepje en komt op mij afgelopen. Ze vraagt of ze het gedicht mag hebben. Ik weet dat de gemeente de as van het lijk weggooit omdat het te duur is om het ergens te begraven of op te slaan. Ik geef haar het dubbelgevouwen papiertje.