SLAA

SLAA

Alexis de Roode: Schaakwonder

Alexis de Roode

Alexis de Roode: Schaakwonder

Alexis de Roode

Schaakwonder 

Ergens begin 2017 werd ik door de SLAA gevraagd op te treden bij het Nederlands Kampioenschap schaken. Niet als schaker, als dichter. Ik vroeg me af wat poëzie te zoeken had bij een denksportkampioenschap, en kreeg te horen dat de organisator een grote culturele belangstelling had en graag culturele intermezzo’s programmeerde… Ik kon me er wel iets bij voorstellen. Schaken is veredeling van de geest, net als poëzie, dus wie weet vinden die topschakers het wel heerlijk om tussen twee partijen in de zinnen even te verstrooien met wat experimentele poëzie of een sonate van Hindemith.   

Een lichte opwinding, maar ook een lichte angst maakte zich van mij meester, om in schaaktermen te blijven. Voor het eerst, al bijna op middelbare leeftijd, ging ik een wereld binnentreden die tot nu toe altijd gesloten voor mij was gebleven. De poëzie bood mij een gouden entreekaartje… ik zou niet als denksportkneusje komen, maar als specialist in het poëziespel, een van de subtoppers in de Nederlandse poëziecompetitie… ik zou op voet van gelijkheid binnentreden: zij experts in de permutaties van 32 stukken in twee kleuren en zes vormvarianten op een bord met 64 vlakken, ikzelf expert in de permutaties van 26 letters op een witte pagina, gegroepeerd in woorden en zinnen, doorgaans verdeeld over 20 tot 38 regels, van links naar rechts gelezen.   

Het schaakspel heeft iets magisch. De symboliek van zwart en wit, het rechthoekige patroon dat in vrijmetselaarstempels op de vloer staat, de koning en koningin met hun hofhouding, het ademt de oorspronkelijke geest van mysterie en middeleeuwen, en kijkend naar de almachtige koningin en de koning die steevast geofferd wordt aan het eind van het spel, komen al snel connotaties met het verloren matriarchaat en wicca om de hoek. De slagvelden, de horizonten, de onuitspreekbare cijfers, herauten van de oneindigheid, als je alle mogelijke zetten doorrekent!  

Als klein kind leerde ik schaken en dammen, maar ofschoon ik lange tijd doorging voor het slimste jongetje van de klas, bracht ik het met schaken nooit ver. Ik verloor steevast van een schoolvriendje dat met staartdelen als laatste eindigde en het woord ‘schaak’ hoogstens bij toeval correct kon spellen. Met dammen kon ik nog een beetje meekomen… stenen die allemaal identiek zijn, het decimale bord van tien bij tien. Dammen is helder. Het is een abstract spel, het kent een wiskundige zuiverheid, het doet in niets denken aan mensenlevens of aardse landschappen.  

Maar schaken… al die verschillende stukken met hun persoonlijkheden, de allianties tussen de stukken, als letters en woorden in een Scrabble-spel. De mogelijkheden waren te talrijk, te willekeurig ook. Ik zag rookwolken boven het bord en rook de geur van bloedvergieten, een ongeregelde bende wandelende kastelen, losgeslagen rijdieren, geharnaste ridders te voet, kreupele soldaten… het lijkt allemaal te veel op het leven op aarde. Dat ik ooit voor de poëzie heb gekozen, kan ik moeilijk verklaren. 

Dammen is meer een spel voor autisten, geloof ik, en daarom sprak het mij aan. Ach, dat donzige, gewelfde voorhoofd van Ton Sijbrands, jarenlang wereldkampioen dammen. In dat voorhoofd kon hij, blind en simultaan, 32 dampartijen spelen tegen 32 tegenstanders, zonder een partij te verliezen… zijn zachtmoedige spreektrant, de berenkop, de baard. Alsof je een berg zag spreken, een wezen uit een boek van Tolkien. Indrukwekkend, maar veilig. En dan wereldkampioen Jannes van der Wal, die heerlijke drinkebroer uit de jaren tachtig, die tien minuten lang vertikte om Mies Bouwman antwoord te geven op de vraag hoe oud hij was, en zich daarmee onsterfelijk maakte. 

Schakers zijn gevaarlijker, dacht ik. Ik herinnerde me de schaker in de studentenflat, die vijf deuren verderop woonde en op een winterse dag mijn sneeuwpop zonder reden kapot had geschopt, mijn huisgenoten hadden het gezien. Zeker net verloren tegen wit. Karpov en Kasparov met hun scherp gesneden gezichten die een reglementaire oorlog voerden via zelfopgerichte schaakbonden. De zogenaamd geniale Bobby Fischer, een geweldige opschepper die decennia lang vooral een schuimbekkende antisemiet was. Nationalistische overwegingen konden mij ook niet winnen voor de schaaksport. Ze hadden geen halfgod à la Sijbrands. We hadden wel Jan Timman, een soort Joop Zoetemelk van het schaken, eeuwig tweede, steevast ingemaakt door Karpov.  

Daartussen moest ik mij begeven, die losgeslagen bende halfgeniale straatvechters, intellectueel superieur, maar met de mentaliteit van bloedhonden. Ik zag die schakers al smalend lachen,  want ik had niet één gedicht dat over schaken ging. Daarom besloot ik het metaforisch aan te pakken: gedichten over de strijd van goed tegen kwaad. Zwart tegen wit. Om de metafoor visueel te ondersteunen, want schakers zijn visueel ingestelde mensen, kleedde ik me in een smetteloos wit overhemd, een zwart gilet, zwartleren stropdas, zwarte broek en zwarte lakschoenen, en zo begaf ik me naar de Tolhuistuin te Amsterdam, waar een en ander zou plaatsvinden. 

Ik verwachtte in een parkachtige omgeving terecht te komen, met honderden flanerende bezoekers, schaakborden onder het  groene lover, de schakers in jacquet, de schaaksters in japons. Maar het toernooi bleek binnen plaats te vinden, in het voormalig bedrijfsrestaurant van Shell. De mensendrommen waren bescheiden. Lang dwaalde ik door vrijwel verlaten gangen, die enigszins aan ziekenhuisgangen deden denken, om uiteindelijk langs een afgetuigd zaaltje te komen waar twee mannen voor een tv en een groot whiteboard stonden, waarop zwart-witte patronen prijkten. Voor een stuk of twintig toehoorders waren ze partijen aan het analyseren. Nee, de finale van Ernst Sipke tegen Van Wely trok niet de bezoekersaantallen van Ajax tegen Feyenoord.  Toch wekt schaken oneindig meer bewondering bij mij op dan alle balsporten bij elkaar opgeteld. Ik begreep niets van de analyses op het whiteboard.  

Ik liep verder, op zoek naar het heilige der heiligen, de plek waar het mysterie zich voltrok. Niemand vroeg me om een kaartje of identiteitsbewijs. En zo kwam ik in de tempel waar de complete Nederlandse schaaktop voorovergebogen zat. Ik kon zo binnenlopen. Aan de ene kant van de zaal stonden stoeltjes voor het publiek, waarvan er ongeveer acht bezet waren. Aan de andere kant van de zaal stond een tiental kleine vierkante tafeltjes met schaakborden. De vrouwen en de mannen zaten gescheiden en toch door elkaar, d.w.z. aan sommige tafeltjes zaten twee vrouwen, aan andere tafeltjes twee mannen. Het bevreemdde me, dat vrouwen in deze denksport nog steeds een andere competitie spelen dan mannen, want ik ben door mijn ouders opgevoed met het idee dat mannen en vrouwen hoogstens van lichaam verschillen, verder niet. De vrouwen zitten gemiddeld 300 punten lager in hun ELO-rating. Gelukkig is Judit Polgár daar, met haar ELO-rating van 2735, om de nurture vs. nature-strijd onbeslist te kunnen laten. 

De schakers bewogen weinig. In de pokerwereld is het niet ongebruikelijk om zonnebrillen met knipperende lampjes te dragen of onophoudelijk te ouwehoeren, teneinde de concentratie van de tegenstander te verstoren, maar de schakers haalden geen fratsen uit op het eerste gezicht. Hoe zou het zijn als ik begon te praten of zingen vanuit de zaal? Ze zaten hier zo kwetsbaar… je kon er makkelijk op aflopen en een bord omvergooien. Het viel me op hoe haveloos gekleed sommige schakers waren. Alleen Loek van Wely, de regerende Nederlandse kampioen, zat strak in zijn pak, niet zo strak als ik, maar toch netjes gekleed.  

In het zaaltje waar de analyses gehouden werden, droeg ik even later mijn gedichten over de strijd van goed tegen kwaad voor, zwaar overdressed. Zo’n dertig toehoorders luisterden beleefd en stelden na afloop vragen. Ik geloof niet dat er een schaker was komen kijken, maar het schaakminnend publiek is beslist cultureel onderlegd en geïnteresseerd. Na het optreden begaf ik me meteen weer naar de schaakzaal, betoverd. De meeste partijen waren inmiddels beëindigd, maar enkele schakers streden door tot het laatste stuk. Ik kon niet doorgronden welke titanenstrijd op de borden plaatsvond, maar koesterde me in deze sfeer van stilte en concentratie, geladen met strijd, waar geen materie aan te pas kwam. De laatste partij was tussen twee jonge vrouwen, het was al etenstijd geweest. Later werd ik voorzichtig aangeraakt door een oudere heer, die mij wakker maakte. De partij was afgelopen. Stram stond ik op, verlost van mijn angst voor schakers. Een aards spel, subliem, onmogelijk, net als poëzie, waar ik als kind ook nooit belangstelling voor had. Misschien ben ik er nu klaar voor, schaken. Ik ga binnenkort maar eens een mooi bord kopen.